ECLI:NL:CRVB:2009:BI3389
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- M.A. Hoogeveen
- H.G. Rottier
- B.M. van Dun
- Rechtspraak.nl
Bevestiging terugvordering onverschuldigde WW-uitkering na herziening WAO-uitkering
Appellant ontving vanaf 15 januari 2004 een WW-uitkering als aanvulling op een verlaagde WAO-uitkering. Na een herziening in september 2006 werd de WAO-uitkering met terugwerkende kracht verhoogd, waardoor appellant geen recht had op de WW-uitkering vanaf die datum. Het UWV probeerde de na te betalen WAO-uitkering te verrekenen met de WW-uitkering, maar maakte een fout waardoor een deel van de WW-uitkering onverschuldigd werd betaald.
Het UWV besloot daarom de WW-uitkering met terugwerkende kracht in te trekken en het onverschuldigd betaalde bedrag terug te vorderen. Appellant stelde dat het hem niet redelijkerwijs duidelijk kon zijn dat hij teveel ontving en betwistte de terugvordering. Ook voerde hij aan dat de acceptgiro een zelfstandig rechtsgevolg zou hebben, wat de Raad verwierp.
De Raad oordeelde dat het UWV terecht de WW-uitkering heeft ingetrokken en het onverschuldigd betaalde bedrag heeft teruggevorderd, conform de Beleidsregels en de Werkloosheidswet. De acceptgiro was slechts een betalingsverzoek zonder zelfstandig rechtsgevolg. Het hoger beroep van appellant faalde en de uitspraak van de rechtbank werd bevestigd.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de terugvordering van het onverschuldigd betaalde bedrag aan WW-uitkering en verklaart het hoger beroep ongegrond.