ECLI:NL:CRVB:2009:BI3538
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- A.B.J. van der Ham
- R. Kooper
- O.L.H.W.I. Korte
- Rechtspraak.nl
Intrekking en terugvordering bijstandsuitkering wegens verzwegen vermogen en afwijzing langdurigheidstoeslag
Appellante ontving sinds 1985 bijstand en beschikte over twee verzwegen spaarrekeningen met een vermogen boven de toepasselijke vermogensgrens. Het College schortte de bijstand op en vorderde de kosten van bijstand terug over de periode 1997-2004. Na bezwaar en rechtbankuitspraak werd de terugvordering beperkt tot de periode 4 maart 2000 tot 27 april 2005.
De Raad oordeelde dat appellante de inlichtingenverplichting had geschonden door het bestaan van de rekeningen niet te melden, waardoor het College terecht de bijstand introk over de periode dat het vermogen boven de grens lag. De stelling van appellante dat het gespaarde bedrag uit bijstand kwam, werd verworpen wegens gebrek aan concrete onderbouwing.
De Raad stelde echter dat het College's beleid van volledige terugvordering bij vermogen boven de vrijlatingsgrens onredelijk was en vernietigde het besluit tot volledige terugvordering. Het College moet een nieuw besluit nemen waarbij de terugvordering gematigd wordt aan de hand van een theoretische berekening van de periode zonder recht op bijstand, rekening houdend met inkomsten en rente.
De aanvragen van appellante voor langdurigheidstoeslag werden terecht afgewezen omdat zij gedurende de relevante periode over vermogen boven de vermogensgrens beschikte. De Raad veroordeelde het College tot vergoeding van proceskosten aan appellante.
De uitspraak is gedaan door de meervoudige kamer van de Centrale Raad van Beroep op 28 april 2009.
Uitkomst: De intrekking van bijstand wordt bevestigd, de volledige terugvordering wordt vernietigd en het College moet een nieuw besluit nemen, terwijl de afwijzing van langdurigheidstoeslagen wordt bevestigd.