ECLI:NL:CRVB:2009:BI6436
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- N.J. van Vulpen-Grootjans
- J.F. Bandringa
- W.F. Claessens
- Rechtspraak.nl
Vaststelling gezamenlijke huishouding en intrekking bijstand op grond van WWB
Appellant ontving bijstand als alleenstaande sinds 1985. Na een anonieme melding startte het College een onderzoek naar de rechtmatigheid van de bijstand, waarbij werd vastgesteld dat appellant en [H.] vanaf 1 juli 1997 een gezamenlijke huishouding voerden. Het College trok de bijstand in en vorderde de kosten terug.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond. In hoger beroep stelde de Centrale Raad vast dat appellant en [H.] weliswaar ieder een eigen woning hadden, maar dat appellant zijn hoofdverblijf had in de woning van [H.] en dat er sprake was van wederzijdse zorg, waardoor sprake was van een gezamenlijke huishouding.
Het College was bevoegd de bijstand in te trekken en terug te vorderen. Wel vernietigde de Raad het besluit voor zover het de intrekking vanaf 1 juli 1997 handhaafde wegens ondeugdelijke motivering. De aanvraag van appellant in 2007 voor bijstand werd terecht afgewezen vanwege de gezamenlijke huishouding. De Raad veroordeelde het College in de proceskosten van appellant.
Uitkomst: De intrekking van de bijstand vanaf 1 juli 1997 wordt vernietigd wegens ondeugdelijke motivering, maar de aanvraag van bijstand in 2007 wordt terecht afgewezen wegens gezamenlijke huishouding.