ECLI:NL:CRVB:2009:BI7143
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Intrekking en terugvordering bijstand wegens verzwegen buitenlands vermogen
Appellante ontving van 1992 tot 2003 bijstand als alleenstaande ouder. Naar aanleiding van een vermoeden dat zij een woning in Turkije bezat, voerde de gemeente Zaanstad onderzoek uit, wat leidde tot een besluit tot intrekking en terugvordering van bijstand over de periode 2001-2003 wegens verzwegen vermogen.
Appellante voerde aan dat de economische eigendom van het appartement bij haar vader berustte en dat de waarde van het appartement met terugwerkende kracht kon worden vastgesteld. De Raad oordeelde dat het feit dat het appartement op haar naam stond de vooronderstelling rechtvaardigt dat het vermogen aan haar toebehoorde, en dat appellante onvoldoende bewijs leverde om dit te weerleggen.
Verder werd vastgesteld dat appellante de inlichtingenverplichting had geschonden door het bezit van het appartement niet op te geven, en dat de waarde van het appartement niet betrouwbaar kon worden vastgesteld. Ook was er sprake van vermoedelijke inkomsten uit verhuur die niet waren opgegeven.
De Raad concludeerde dat het College bevoegd was tot intrekking en terugvordering van de bijstand en dat het hoger beroep ongegrond is. De aangevallen uitspraak wordt bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de intrekking en terugvordering van bijstand bevestigd.