ECLI:NL:CRVB:2009:BI7698
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Vernietiging besluit afwijzing WIA-uitkering wegens ontbrekende WAO-beoordeling
Appellant, voormalig vrachtwagenchauffeur, stopte met werken vanwege hartklachten en onderging later nieroperaties en kreeg pijnklachten in de benen. Na aanvankelijke toekenning van een WAO-uitkering werd deze ingetrokken wegens onvoldoende arbeidsongeschiktheid. Appellant vroeg later een WIA-uitkering aan, die door het UWV werd afgewezen omdat zijn arbeidsongeschiktheid minder dan 35% zou zijn.
De Centrale Raad van Beroep oordeelt dat het UWV ten onrechte heeft nagelaten te onderzoeken of appellant op grond van artikel 43a van de WAO aanspraak kon maken op heropening van zijn WAO-uitkering vanwege toegenomen klachten. Dit onderzoek had vooraf moeten gaan aan de beoordeling van de WIA-aanvraag. De reactie van de bezwaarverzekeringsarts was onvoldoende om deze vraag af te doen.
De Raad stelt dat het UWV een nieuw besluit moet nemen waarbij eerst wordt vastgesteld of appellant recht heeft op een WAO-uitkering. Pas als dat wordt ontkend, kan de WIA-aanvraag worden beoordeeld. Tevens is twijfel gerezen over de geschiktheid van bepaalde functies die bij de arbeidsongeschiktheidsbeoordeling zijn betrokken.
Het verzoek van appellant om vergoeding van wettelijke rente wordt afgewezen vanwege het ontbreken van een definitief besluit. De Raad veroordeelt het UWV tot betaling van proceskosten aan appellant en wijst het griffierecht toe.
De uitspraak vernietigt het eerdere besluit en verplicht het UWV tot hernieuwde beoordeling met inachtneming van de overwegingen van de Raad.
Uitkomst: Het besluit tot afwijzing van de WIA-uitkering wordt vernietigd en het UWV moet eerst beoordelen of appellant recht heeft op een WAO-uitkering op grond van artikel 43a van de WAO.