ECLI:NL:CRVB:2009:BI9395
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- H.G. Rottier
- B.M. van Dun
- T. van Peijpe
- Rechtspraak.nl
Betalingstermijn van WW-uitkering voor onderwijzend personeel niet in strijd met gelijkheidsbeginsel
Betrokkene, werkzaam in het onderwijs, ontving een WW-uitkering die na een tijdelijk dienstverband per 27 november 2006 werd heropend voor 28 uur. Het Uwv betaalde de uitkering achteraf in de maand volgend op de maand waarop de uitkering betrekking had, wat leidde tot bezwaar van betrokkene. De rechtbank Rotterdam verklaarde het bezwaar gegrond en bepaalde dat de uitkering sneller moest worden betaald.
Het Uwv stelde in hoger beroep dat de betalingswijze voor ambtenaren en onderwijzend personeel historisch is ingegeven door een vaste betaaldag en dat deze werkwijze het verhalen van uitkeringen op werkgevers vergemakkelijkt. De Raad stelde vast dat de voormalig werkgever belanghebbende is en aan het geding mocht deelnemen.
De Raad concludeerde dat de betalingswijze binnen de wettelijke kaders van de WW valt en dat er geen sprake is van strijd met het gelijkheidsbeginsel of andere rechtsregels. De Raad vernietigde daarom het vonnis van de rechtbank en verklaarde het beroep van betrokkene ongegrond.
Uitkomst: De Raad vernietigt het vonnis van de rechtbank en verklaart het beroep ongegrond, waarmee de achterafbetaling van de WW-uitkering wordt bevestigd.