ECLI:NL:CRVB:2009:BJ1793
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- R.M. van Male
- R.H.M. Roelofs
- W.F. Claessens
- Rechtspraak.nl
Bevestiging terugvordering onverschuldigde bijstand na intrekking en bezwaarprocedure
Appellant ontving sinds 2001 bijstand op grond van de Wet werk en bijstand (WWB). Het College herzag en trok de bijstand in per 1 januari 2006, waarna appellant bezwaar maakte. Tijdens de bezwaarprocedure werd bij besluit van 15 mei 2006 bijstand verleend vanaf 10 april 2006 onder de voorwaarde dat het bezwaar tot herroeping van het intrekkingsbesluit zou leiden.
Deze voorwaarde werd niet vervuld, waardoor de bijstand onverschuldigd werd betaald. Het College besloot daarop de bijstand per 10 april 2006 in te trekken en de kosten van de bijstand over de periode tot en met 31 januari 2007 terug te vorderen. Appellant maakte bezwaar en ging in beroep, maar de rechtbank verklaarde het bezwaar ongegrond en de Raad bevestigde dit.
De Centrale Raad overwoog dat artikel 58, eerste lid, aanhef en onder e, van de WWB de grondslag biedt voor terugvordering van onverschuldigde bijstand, mits de belanghebbende dit redelijkerwijs kon begrijpen. De situatie van appellant, waarbij bijstand werd verleend na behandeling van een verzoek om voorlopige voorziening, is vergelijkbaar met eerdere rechtspraak onder de Algemene Bijstandswet.
De Raad concludeerde dat appellant na het besluit op bezwaar redelijkerwijs had kunnen begrijpen dat de bijstand onverschuldigd was en dat het College daarom bevoegd was tot terugvordering. Het hoger beroep faalde en de aangevallen uitspraak werd bevestigd zonder toewijzing van proceskosten.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de terugvordering van onverschuldigde bijstand wordt bevestigd.