ECLI:NL:CRVB:2014:374
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Intrekking en terugvordering bijstand wegens gezamenlijke huishouding en schending inlichtingenplicht
Betrokkene 1 ontving bijstand als alleenstaande ouder, maar de gemeente Nijmegen stelde na onderzoek vast dat zij vanaf 28 juli 1998 tot 14 maart 2000 een gezamenlijke huishouding voerde met betrokkene 2, zonder dit te melden. Hierdoor werd ten onrechte bijstand verleend op basis van een onjuiste situatie.
De rechtbank had aanvankelijk geoordeeld dat appellant niet bevoegd was de bijstand over de periode 28 juli 1998 tot 14 maart 2000 in te trekken, wegens onvoldoende bewijs van gezamenlijke huishouding. De Centrale Raad van Beroep oordeelt anders en acht de verklaringen van betrokkene 1, haar vader en buurtbewoners voldoende concreet om samenwoning aannemelijk te maken.
Verder oordeelt de Raad dat de terugvordering van voorschotten die op basis van een voorlopige voorziening waren verstrekt, terecht is omdat deze achteraf onverschuldigd bleken en betrokkene 1 dit redelijkerwijs had kunnen begrijpen. De Raad vernietigt de eerdere uitspraken en de daarop gebaseerde besluiten, verklaart de beroepen gegrond en veroordeelt appellant in de proceskosten.
Uitkomst: Appellant was bevoegd de bijstand in te trekken en terug te vorderen wegens gezamenlijke huishouding en schending van de inlichtingenplicht; eerdere uitspraken en besluiten worden vernietigd.