ECLI:NL:CRVB:2009:BJ3024
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- M.A. Hoogeveen
- H.G. Rottier
- B.M. van Dun
- Rechtspraak.nl
Toekenning WW-uitkering met korting en schadevergoeding wegens overschrijding redelijke termijn
Appellant was sinds 1985 in dienst bij de werkgeefster en werd op staande voet ontslagen wegens het wegnemen van olie van het bedrijfsterrein. Het UWV kende hem een WW-uitkering toe met een korting van 35% gedurende 26 weken vanwege verwijtbare werkloosheid, maar niet in overwegende mate. De werkgeefster maakte bezwaar tegen dit besluit en stelde dat de uitkering blijvend geheel geweigerd moest worden wegens volledige verwijtbaarheid.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond en bevestigde dat appellant verwijtbaar werkloos was. In hoger beroep stelde appellant dat het UWV onzorgvuldig had gehandeld, dat het gebruik van olie een gebruikelijke praktijk was, en dat hij ernstig ziek was ten tijde van het ontslag. Tevens vorderde hij een schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn.
De Raad oordeelde dat het UWV zorgvuldig onderzoek had verricht en dat appellant verwijtbaar werkloos was geworden. Er was geen sprake van een noodsituatie of psychische problematiek die verwijt uitsloot. De Raad constateerde dat de redelijke termijn in de procedure met ruim een jaar was overschreden, wat voor rekening van het UWV kwam. Daarom werd het bestreden besluit vernietigd, maar de rechtsgevolgen bleven in stand. Het UWV werd veroordeeld tot betaling van een schadevergoeding van €1.500,- en proceskosten.
De uitspraak benadrukt het belang van zorgvuldige en tijdige behandeling van bezwaar- en beroepsprocedures binnen het sociale zekerheidsrecht en bevestigt de toepassing van de Werkloosheidswet op verwijtbare werkloosheid.
Uitkomst: Het bestreden besluit wordt vernietigd met in stand blijvende rechtsgevolgen en het UWV wordt veroordeeld tot betaling van een schadevergoeding van €1.500,- wegens overschrijding van de redelijke termijn.