ECLI:NL:CRVB:2009:BJ4437
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Wijziging ingangsdatum intrekking bijstand wegens niet-melding vermogen in Turkije
Appellant ontving bijstand sinds 1996 en werd door het College van burgemeester en wethouders van Amsterdam geconfronteerd met intrekkingsbesluiten wegens het niet melden van onroerend goed in Turkije met een waarde van €136.963. Het College trok de bijstand in per 1 juni 2005 vanwege het niet nakomen van de inlichtingenplicht en later per 13 juni 2005 vanwege het overschrijden van de vermogensgrens.
Appellant maakte bezwaar tegen beide besluiten, maar het bezwaar tegen het besluit van 13 juni 2005 werd niet-ontvankelijk verklaard wegens overschrijding van de bezwaartermijn. De Raad bevestigde deze niet-ontvankelijkheid omdat appellant onvoldoende verschoonbare redenen had voor de late indiening.
Ten aanzien van het besluit van 23 september 2005, dat de intrekking per 13 juni 2005 betrof, oordeelde de Raad dat de wijziging van de ingangsdatum van de intrekking een discretionaire bevoegdheid van het College betrof die slechts terughoudend getoetst kon worden. De Raad stelde vast dat het College het besluit onvoldoende had gemotiveerd en vernietigde dit besluit, waarbij de rechtsgevolgen van het besluit in stand bleven.
De Raad veroordeelde het College tot betaling van de proceskosten van appellant en bepaalde dat de gemeente Amsterdam het betaalde griffierecht aan appellant vergoedt.
Uitkomst: Het besluit tot intrekking van de bijstand per 13 juni 2005 wordt vernietigd wegens onvoldoende motivering, terwijl het eerdere besluit per 1 juni 2005 wordt bevestigd.