ECLI:NL:CRVB:2009:BJ9330
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- R.M. van Male
- H.C.P. Venema
- J.L.P.G. van Thiel
- Rechtspraak.nl
Onverbindverklaring van artikel 2.7 Bi wegens strijd met evenredigheidsbeginsel in inburgeringsplicht
Appellant, een Turkse nationaliteit dragende oudkomer die sinds 1978 in Nederland woont, werd door het College van burgemeester en wethouders van Den Haag in 2007 inburgeringsplichtig verklaard en verplicht het inburgeringsexamen te behalen binnen vijf jaar. Appellant stelde dat hij reeds voldoende taalvaardigheden en kennis van de Nederlandse samenleving bezit en dat de korte vrijstellingstoets onredelijk bezwarend is vanwege de hogere taalniveau-eisen (B1) dan het inburgeringsexamen (A2).
De Raad beoordeelde dat de brief van 30 augustus 2007 een besluit is dat de termijn van vijf jaar start, maar dat appellant alleen via het afleggen van de korte vrijstellingstoets kan aantonen vrijgesteld te zijn van de inburgeringsplicht. De Raad oordeelde dat de hogere eisen van de toets onredelijk bezwarend zijn, vooral voor oudkomers die bij het inburgeringsexamen een lager niveau (A1) hoeven te halen.
De Raad verklaarde artikel 2.7, eerste lid, van het Besluit inburgering onverbindend voor zover het niveau B1 als voldoende taalvaardigheid aanmerkt, wegens strijd met het evenredigheidsbeginsel. De aangevallen uitspraak van de rechtbank werd vernietigd, het besluit van het College van 29 oktober 2007 werd vernietigd en het besluit van 30 augustus 2007 herroepen. Het College werd veroordeeld in de proceskosten van appellant.
Uitkomst: Artikel 2.7, eerste lid, van het Besluit inburgering wordt onverbindend verklaard wegens strijd met het evenredigheidsbeginsel; het besluit van het College wordt vernietigd en de inburgeringsplicht van appellant herroepen.