ECLI:NL:CRVB:2009:BK3008
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- G. van der Wiel
- G.J.H. Doornewaard
- J. Brand
- Rechtspraak.nl
Herziening WAO-dagloon en vergoeding overschrijding redelijke termijn
Appellante heeft hoger beroep ingesteld tegen diverse uitspraken van de rechtbank Maastricht en besluiten van het UWV omtrent de vaststelling en herziening van haar WAO- en WW-dagloon. De Raad oordeelt dat de rechtbank terecht heeft geoordeeld dat het besluit van 5 december 2006 geen vaststelling van het dagloon bevatte, maar stelt vast dat de rechtbank onterecht het verzoek om vergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn heeft afgewezen.
De Raad benadrukt dat de redelijke termijn van vier jaar in deze zaak is overschreden met ruim vier jaar, en dat het UWV hiervoor aansprakelijk is. Daarom wordt het UWV veroordeeld tot een schadevergoeding van €4.500,-. Tevens vernietigt de Raad meerdere uitspraken van de rechtbank en besluiten van het UWV die berusten op een onjuiste motivering omtrent het moment van herziening van het dagloon.
De Raad bepaalt dat het UWV opnieuw moet beslissen op het bezwaar van appellante met inachtneming van de uitspraak. Daarnaast worden de proceskosten van appellante in beroep en hoger beroep toegewezen. De rechtsgevolgen van het vernietigde besluit blijven in stand, zodat de uitkering niet wordt beïnvloed door de vernietiging.
Uitkomst: Het UWV wordt veroordeeld tot vergoeding van €4.500 wegens overschrijding redelijke termijn en moet het bezwaar van appellante opnieuw beoordelen.