ECLI:NL:CRVB:2011:BP2230
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Ch. van Voorst
- C.P.J. Goorden
- A.A.H. Schifferstein
- Rechtspraak.nl
Verlenging loonsanctie wegens onvoldoende re-integratie-inspanningen niet terecht
In deze zaak staat de oplegging van een loonsanctie centraal vanwege vermeende onvoldoende re-integratie-inspanningen door betrokkene ten aanzien van een arbeidsongeschikte werkneemster. De werkneemster viel in november 2005 uit wegens rugklachten en vroeg in augustus 2007 een WIA-uitkering aan. Het UWV verlengde de wachttijd voor loondoorbetaling met 52 weken omdat betrokkene onvoldoende inspanningen zou hebben verricht om re-integratie via het tweede spoor te bevorderen.
De rechtbank oordeelde dat betrokkene voldoende had gedaan door de werkneemster binnen de eigen organisatie aangepaste werkzaamheden aan te bieden en later een outplacementtraject te starten. De rechtbank vernietigde het besluit van het UWV en verklaarde het beroep gegrond.
In hoger beroep stelt het UWV dat betrokkene te laat en onvoldoende het tweede spoor heeft ingezet, verwijzend naar beleidsregels en eerdere uitspraken die het belang van tijdige re-integratie benadrukken. De Centrale Raad van Beroep concludeert dat betrokkene vanaf november 2006 onvoldoende concrete re-integratie-inspanningen via het tweede spoor heeft verricht, ondanks het ontbreken van een concreet perspectief op werk binnen de eigen organisatie. De enkele aanmelding bij een re-integratiebedrijf en werkplekonderzoek in 2007 zijn onvoldoende.
De Raad benadrukt dat de verantwoordelijkheid voor re-integratie bij de werkgever ligt en dat betrokkene geen deugdelijke grond had voor haar tekortkomingen. De Raad vernietigt daarom de uitspraak van de rechtbank en verklaart het beroep van het UWV ongegrond. Er wordt geen proceskostenveroordeling opgelegd en ook geen schadevergoeding toegekend.
Uitkomst: Het beroep van het UWV wordt ongegrond verklaard en de loonsanctie blijft in stand wegens onvoldoende re-integratie-inspanningen van betrokkene.