ECLI:NL:CRVB:2011:BP2226
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Ch. van Voorst
- C.P.J. Goorden
- A.A.H. Schifferstein
- Rechtspraak.nl
Bevestiging loonsanctie wegens onvoldoende re-integratie-inspanningen werkgever
De zaak betreft een hoger beroep van een werkgever tegen een loonsanctie opgelegd door het UWV wegens onvoldoende re-integratie-inspanningen van een zieke werknemer. De rechtbank had het besluit vernietigd wegens een onjuiste motivering, maar de rechtsgevolgen van het besluit in stand gelaten omdat de werkgever tekort was geschoten.
In hoger beroep betoogde de werkgever dat zij redelijkerwijs de re-integratie-inspanningen had verricht en dat de duur van de loonsanctie had moeten worden afgestemd op de mate van verwijtbaarheid. Het UWV handhaafde dat het re-integratieresultaat onvoldoende was en dat de werkgever zonder deugdelijke grond tekort was geschoten.
De Raad overwoog dat het beoordelingskader van het UWV juist was toegepast en dat de medische en arbeidsdeskundige rapportages voldoende steun boden voor het standpunt dat de werkgever onvoldoende had gedaan. De Raad verwierp het argument dat de loonsanctie op maat moest worden opgelegd en bevestigde dat de maximale duur van 52 weken mogelijk is.
De Raad bevestigde daarmee het oordeel dat de werkgever onvoldoende re-integratie-inspanningen heeft verricht en dat de loonsanctie terecht is opgelegd. De proceskostenvergoeding werd afgewezen. De uitspraak werd gedaan door drie raadsheren en uitgesproken in het openbaar op 26 januari 2011.
Uitkomst: De loonsanctie van 52 weken wegens onvoldoende re-integratie-inspanningen wordt bevestigd.