ECLI:NL:CRVB:2009:BK4231
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging intrekking bijstandsuitkering wegens schending inlichtingenplicht over spaarrekening en erfenis
Appellante ontving bijstand samen met haar toenmalige echtgenoot over de periode 1997 tot 2004. Tijdens een heronderzoek bleek dat appellante een spaarrekening bij de Rabobank verzweeg en onvoldoende informatie gaf over een erfenis die haar echtgenoot had ontvangen. Ondanks meerdere verzoeken verstrekte zij niet de benodigde gegevens, waardoor het College de bijstand introk en de kosten terugvorderde.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellante ongegrond en de Centrale Raad van Beroep bevestigt dit oordeel. De Raad oordeelde dat appellante haar verklaringen omtrent de besteding van het saldo op de spaarrekening niet objectief en verifieerbaar onderbouwde. Ook was onvoldoende aangetoond welke goederen uit de erfenis waren verkregen en wat de waarde daarvan was.
De Raad stelde vast dat appellante de wettelijke inlichtingenverplichting schond, waardoor het recht op bijstand niet kon worden vastgesteld. Het College was bevoegd de bijstand in te trekken en de kosten terug te vorderen. Er waren geen bijzondere omstandigheden die een afwijking van het beleid rechtvaardigden. Het hoger beroep werd verworpen en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de intrekking van de bijstandsuitkering en de terugvordering wegens schending van de inlichtingenplicht.