ECLI:NL:CRVB:2009:BK4977
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Intrekking bijstand wegens vermeende samenwoning niet gerechtvaardigd
Appellante ontving bijstand van het College van burgemeester en wethouders van Zoetermeer. Naar aanleiding van een signaal over een kenteken op haar naam, startte het College een onderzoek naar haar woonsituatie. Op 14 maart 2006 vond een huisbezoek plaats, waarna het College besloot de bijstand met terugwerkende kracht in te trekken wegens vermeende samenwoning met de heer B.D., wat volgens het College de inlichtingenplicht schond.
De rechtbank verklaarde het bezwaar van appellante tegen deze intrekking ongegrond, maar vernietigde het besluit later wegens strijd met de Algemene wet bestuursrecht. De Centrale Raad van Beroep behandelde het hoger beroep en oordeelde dat de verklaringen van appellante en B.D. geloofwaardig zijn en dat er onvoldoende bewijs is dat B.D. zijn hoofdverblijf had op het adres van appellante.
De Raad vernietigde het besluit van 14 maart 2008 en herroept het besluit van 25 juli 2006. Tevens veroordeelde de Raad het College tot betaling van wettelijke rente over de niet-betaalde bijstand vanaf 1 augustus 2006, tot vergoeding van griffierecht en proceskosten van appellante. De uitspraak bevestigt het belang van een zorgvuldige toetsing van samenwoning bij intrekking van bijstand.
Uitkomst: Het besluit tot intrekking van bijstand wegens vermeende samenwoning wordt vernietigd en het College wordt veroordeeld tot schadevergoeding en proceskosten.