Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:CRVB:2009:BK5303

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
1 december 2009
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
07-6736 WWB
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:69 AwbArt. 4:84 AwbArt. 54, derde lid, aanhef en onder b, WWBArt. 58, eerste lid, aanhef en onder a, WWBArt. 58, eerste lid, aanhef en onder f, ten eerste, WWB
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Herziening en terugvordering bijstandsuitkering wegens pensioenuitkering zoon

Appellante ontving bijstand volgens de Wet werk en bijstand (WWB) en het College herzag haar bijstandsuitkering over meerdere perioden vanwege pensioenuitkeringen van haar zoon. Het College vorderde terugbetaling van bijstandskosten over de periode september 2003 tot maart 2006. De rechtbank stelde dat het College terecht had herzien en teruggevorderd, maar de Centrale Raad van Beroep constateert dat de rechtbank ten onrechte oordeelde dat de herziening gehandhaafd bleef terwijl het College deze had laten vervallen.

De Raad oordeelt dat het College niet bevoegd was tot terugvordering over december 2005 omdat het pensioen toen al was verrekend. Voor de maanden januari 2005 tot en met maart 2006 kan geen terugvordering plaatsvinden op grond van ‘naderhand’ verkregen middelen omdat het pensioen tijdig werd betaald. Voor de periode februari 2004 tot en met december 2004 ontbreken gegevens over het moment van beschikking over het pensioen, waardoor terugvordering niet kan worden gebaseerd op naderhand verkregen middelen.

De Raad beveelt het College aan opnieuw te beslissen over het bezwaar van appellante en stelt dat het College bij de nadere besluitvorming rekening moet houden met de melding van appellante dat een pensioenuitkering per abuis naar een verkeerde rekening was overgemaakt. De Raad oordeelt dat het College niet bevoegd is de bijstand over september 2003 tot en met januari 2004 te herzien, maar wel bevoegd is tot terugvordering over die maanden indien de uitkering later werd ontvangen.

Verder moet het College afzien van brutering van de terugvordering en aandacht besteden aan eventuele schadevergoeding. Het verzoek van appellante tot schadevergoeding wordt niet toegewezen vanwege onvoldoende inzicht in de schade. De Raad veroordeelt het College in de proceskosten van appellante en bepaalt dat het betaalde griffierecht wordt vergoed.

Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep vernietigt het vonnis van de rechtbank voor zover het het beroep ongegrond verklaart en beveelt het College tot hernieuwde besluitvorming over de terugvordering van bijstand.

Uitspraak

07/6736 WWB
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[Appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),
tegen de uitspraak van de rechtbank Groningen van 20 oktober 2007, 06/1667 (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellante
en
het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Groningen (hierna: College)
Datum uitspraak: 1 december 2009
I. PROCESVERLOOP
Namens appellante heeft mr. F. Bakker, advocaat te Groningen, hoger beroep ingesteld.
Het College heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 6 oktober 2009. Voor appellante is verschenen mr. Bakker. Het College heeft zich laten vertegenwoordigen door H.J. Roerig, werkzaam bij de gemeente Groningen.
II. OVERWEGINGEN
1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.
1.1. Appellante ontving ten tijde hier van belang bijstand naar de norm voor een alleenstaande ouder, laatstelijk op grond van de Wet werk en bijstand (WWB). Appellante heeft een zoon die op 22 januari 1993 is geboren.
1.2. Bij besluit van 13 juli 2006 heeft het College de bijstand van appellante over de tijdvakken van 1 september 2003 tot en met 31 december 2005 en van 1 februari 2006 tot en met 31 maart 2006 met toepassing van artikel 54, derde lid, aanhef en onder b, van de WWB herzien en met toepassing van artikel 58, eerste lid, aanhef en onder f, ten eerste, van de WWB de kosten van de over die tijdvakken verleende bijstand tot een bedrag van € 3.922,90 van appellante teruggevorderd. Daarbij is appellante meegedeeld dat het bedrag dat zij terugbetaalt netto is en dat, als zij de schuld op 31 december van 2006 nog niet heeft afgelost, dat bedrag met toepassing van artikel 58, vierde lid, van de WWB wordt verhoogd met de loonbelasting en de premies volksverzekeringen die daarover zijn afgedragen.
1.3. Bij besluit van 21 november 2006 heeft het College het bezwaar tegen het besluit van 13 juli 2006 ongegrond verklaard met dien verstande dat de herziening van de bijstand komt te vervallen. Aan de handhaving van de terugvordering heeft het College ten grondslag gelegd dat appellante over de tijdvakken van 1 september 2003 tot en met 31 december 2005 en van 1 februari 2006 tot en met 31 maart 2006 naderhand over middelen heeft beschikt die bij de bijstandsverlening in aanmerking moeten worden genomen. Deze middelen betreffen een pensioen dat door de Stichting Pensioenfonds ABP (hierna: ABP) aan de zoon van appellante is toegekend in verband met het overlijden van diens vader op 17 september 2003.
2.1. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank overwogen:
-dat het College terecht tot herziening van de bijstand is overgegaan;
-dat het College ten onrechte artikel 58, eerste lid, aanhef en onder f, ten eerste, van de WWB aan de terugvordering ten grondslag heeft gelegd;
-dat terugvordering van kosten van bijstand wel kan plaatsvinden met toepassing van artikel 58, eerste lid, aanhef en onder a, van de WWB;
-dat het College in het geval van appellante niet in redelijkheid gebruik heeft kunnen maken van zijn bevoegdheid om met toepassing van artikel 58, vierde lid, tweede volzin, van de WWB tot brutering van de vordering over te gaan.
2.2. Gelet op die overwegingen heeft de rechtbank - met beslissingen inzake griffierecht en proceskosten - het beroep tegen het besluit van 21 november 2006 gegrond verklaard voor zover het betrekking heeft op de terugvordering en de brutering van de terugvordering, het besluit van 21 november 2006 in zoverre vernietigd, bepaald dat de rechtsgevolgen van de terugvordering - met uitzondering van de brutering - in stand worden gelaten en het beroep voor het overige ongegrond verklaard.
3. Appellante heeft zich in hoger beroep gemotiveerd tegen deze uitspraak gekeerd voor zover daarbij de rechtsgevolgen van de terugvordering in stand zijn gelaten en het beroep ongegrond is verklaard.
4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.
4.1. De Raad stelt voorop dat het College bij het besluit op bezwaar van 21 november 2006 de herziening van de bijstand heeft laten vervallen. De rechtbank is er echter van uitgegaan dat het College bij dat besluit de herziening van de bijstand heeft gehandhaafd en heeft over de handhaving van de herziening een oordeel gegeven. Nu de rechtbank ten onrechte een oordeel over de herziening heeft gegeven, zal de Raad de aangevallen uitspraak, voor zover daarbij het beroep tegen het besluit van 21 november 2006 ongegrond is verklaard, wegens strijd met artikel 8:69, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) vernietigen.
4.2.1. Ten aanzien van de vraag of de rechtbank terecht de rechtsgevolgen van de terugvordering van de kosten van de over de tijdvakken van 1 september 2003 tot en met 31 december 2005 en van 1 februari 2006 tot en met 31 maart 2006 verleende bijstand in stand heeft gelaten overweegt de Raad als volgt.
4.2.2. Artikel 58, eerste lid, aanhef en onder a, van de WWB bepaalt dat het college van de gemeente die de bijstand heeft verleend kosten van bijstand kan terugvorderen, voor zover de bijstand ten onrechte of tot een te hoog bedrag is verleend. Zoals de Raad eerder heeft overwogen (zie bijvoorbeeld zijn uitspraak van 15 mei 2007, LJN BA5772) is deze bepaling geschreven voor gevallen waarin een wijziging van de omstandigheden of (nieuw) gebleken feiten en omstandigheden nopen tot herziening of intrekking van een besluit inzake de verlening van bijstand. Heeft het betrokken bestuursorgaan in een dergelijk geval tot herziening of intrekking van bijstand besloten met toepassing van artikel 54, derde lid, van de WWB, dan vormt artikel 58, eerste lid, aanhef en onder a, van de WWB de grondslag voor terugvordering van ten onrechte of tot een te hoog bedrag verleende bijstand van de belanghebbende.
4.2.3. Artikel 58, eerste lid, aanhef en onder f, ten eerste van de WWB bepaalt dat het college van de gemeente die bijstand heeft verleend kosten van bijstand kan terugvorderen, voor zover de bijstand anderszins onverschuldigd is betaald, waaronder begrepen dat de belanghebbende naderhand met betrekking tot de periode waarover bijstand is verleend, over in aanmerking te nemen middelen als bedoeld in paragraaf 3.4 beschikt of kan beschikken. De Raad heeft al eerder overwogen (zie onder meer zijn uitspraak van 6 juni 2006, LJN AX9156) dat aan de woorden ‘anderszins onverschuldigd’ in deze bepaling geen betekenis toekomt en dat voor de toepassing van deze bepaling geen voorafgaand herzienings- of intrekkingsbesluit nodig is.
4.2.4. Tussen partijen is niet in geschil dat de zoon van appellante met ingang van de dag van het overlijden van zijn vader op 17 september 2003 jegens het ABP aanspraak kon maken op een pensioen. Uit de pensioenberichten van het ABP blijkt dat de pensioentermijnen tot en met januari 2004 zijn overgemaakt naar rekeningnummer [rekeningnummer]. Tussen partijen is niet in geschil dat deze rekening niet op naam van appellante of haar zoon stond. De gedingstukken bieden geen duidelijkheid naar welke rekening het pensioen over de maanden februari 2004 tot en met december 2004 is overgemaakt. Uit de pensioenberichten van het ABP en de beschikbare bankafschriften van de rekening met nummer [rekeningnummer 2] blijkt voorts dat vanaf januari 2005 de pensioentermijnen naar laatstgenoemde rekening zijn overgemaakt. Deze rekening staat op naam van de zoon van appellante. Verder blijkt uit de gedingstukken dat het College het pensioen van de zoon van appellante over de maand december 2005 met de bijstand van appellante heeft verrekend.
4.2.5. De Raad is van oordeel dat, gelet op de hiervoor weergegeven feiten, het College niet bevoegd was tot terugvordering van kosten van bijstand over de maand december 2005 aangezien het pensioen van de zoon van appellante over die maand reeds was verrekend. Naar het oordeel van de Raad kan voorts niet op grond van artikel 58, eerste lid, aanhef en onder f, ten eerste, van de WWB worden overgegaan tot terugvordering van kosten van bijstand over januari 2005 tot en met november 2005 en over februari en maart 2006. Er is immers geen sprake van ‘naderhand’ verkregen middelen over die maanden nu de zoon van appellante zijn pensioen over die maanden tijdig kreeg betaald. De terugvordering van kosten van bijstand over die maanden kan evenmin worden gebaseerd op artikel 58, eerste lid, aanhef en onder a, van de WWB, aangezien daarvoor een voorafgaand herzieningsbesluit nodig was en het College bij het besluit van 21 november 2006 de herziening van de bijstand heeft laten vervallen. De Raad is ten slotte van oordeel dat er onvoldoende feitelijke grondslag bestaat voor het standpunt dat met betrekking tot de maanden februari 2004 tot en met december 2004 sprake is van ‘naderhand’ verkregen middelen aangezien in het dossier gegevens over het tijdstip waarop de zoon van appellante de beschikking kreeg over zijn pensioen over die maanden ontbreken.
4.2.6. Het voorgaande brengt mee dat de rechtbank ten onrechte de rechtsgevolgen van de terugvordering in stand heeft gelaten, zodat de aangevallen uitspraak ook in zoverre voor vernietiging in aanmerking komt. De Raad zal, doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, het College opdragen opnieuw te beslissen op het bezwaar van appellante tegen het besluit van 13 juli 2006.
4.3.1 Met het oog op de nadere besluitvorming overweegt de Raad als volgt.
4.3.2. De Raad stelt voorop dat het College aan appellante niet heeft verweten dat zij de wettelijke inlichtingenverplichting heeft geschonden. Daarvan dient het College ook bij zijn nadere besluitvorming uit te gaan.
4.3.3. Naar het oordeel van de Raad kan uit de beschikbare gegevens worden afgeleid dat de zoon van appellante medio februari 2004 nog niet de beschikking had over de pensioentermijnen van september 2003 tot en met januari 2004. Hij neemt daarbij in aanmerking dat het pensioen over die maanden werd overgemaakt naar een rekening die niet op naam van appellante of haar zoon stond. Verder acht de Raad van betekenis dat appellante op 13 februari 2004 bij het College heeft gemeld dat de particuliere halfwezenuitkering van haar zoon per abuis naar de rekening van de weduwe van diens vader is overgemaakt. Een en ander brengt mee dat het College er bij zijn nadere besluitvorming van uit dient te gaan dat het niet bevoegd is de bijstand van appellante over de maanden september 2003 tot en met januari 2004 te herzien in die zin dat alsnog rekening wordt gehouden met het pensioen van haar zoon. Tussen partijen is niet in geschil en ook de Raad gaat ervan uit dat de zoon van appellante naderhand wel de beschikking heeft gekregen over de betreffende pensioentermijnen. Aangezien bij de verlening van bijstand over de periode van september 2003 tot en met januari 2004 aan appellante met het pensioen van haar zoon rekening zou zijn gehouden als hij daar eerder de beschikking over had gekregen, was het College op grond van artikel 58, eerste lid, aanhef en onder f, ten eerste, van de WWB bevoegd tot terugvordering van de kosten van de bijstand die over die maanden niet zouden zijn verleend.
4.3.4. Het College zal voorts dienen te onderzoeken of met betrekking tot de maanden februari 2004 tot en met december 2004 sprake is van naderhand verkregen middelen. Voor zover daarvan sprake is, is in lijn met hetgeen hiervoor onder 4.3.3 is overwogen, herziening van de bijstand niet mogelijk, maar kan terugvordering van kosten van bijstand plaatsvinden met toepassing van artikel 58, eerste lid, aanhef en onder f, ten eerste, van de WWB. Terugvordering op die grond kan echter niet plaatsvinden voor zover blijkt dat de zoon van appellante zijn pensioen tijdig kreeg betaald en derhalve van naderhand verkregen middelen geen sprake was. Het College is in dat geval wel bevoegd de bijstand van appellante over de betreffende maanden met toepassing van artikel 54, derde lid, aanhef en onder b, van de WWB te herzien in die zin dat alsnog rekening wordt gehouden met het (tijdig betaalde) pensioen van haar zoon. Maakt het College gebruik van zijn bevoegdheid tot herziening over de betreffende maanden, dan is daarmee voldaan aan de voorwaarden voor toepassing van artikel 58, eerste lid, aanhef en onder a, van de WWB en is het College bevoegd tot terugvordering van de kosten van de als gevolg van de herziening tot een te hoog bedrag verleende bijstand.
4.3.5. Bij de nadere besluitvorming dient het College er verder van uit te gaan dat het College op grond van artikel 54, derde lid, aanhef en onder b, van de WWB bevoegd is tot herziening van de bijstand over de periode van januari 2005 tot en met november 2005 en de maanden februari 2006 en maart 2006 in die zin dat alsnog rekening wordt gehouden met het aan de zoon van appellante over die maanden uitgekeerde pensioen. Maakt het College van zijn bevoegdheid tot herziening van de bijstand over die maanden gebruik, dan is voldaan aan de voorwaarden voor toepassing van artikel 58, eerste lid, aanhef en onder a, van de WWB en is het College bevoegd tot terugvordering van de kosten van de als gevolg van de herziening tot een te hoog bedrag verleende bijstand.
4.3.6. Uitgangspunt bij de nadere besluitvorming dient daarnaast te zijn dat het College niet bevoegd is tot herziening en terugvordering van de bijstand over de maand december 2005.
4.3.7. Appellante heeft aangevoerd dat het College geheel of gedeeltelijk van herziening of terugvordering moet afzien aangezien zij op 13 februari 2004 bij het College heeft gemeld dat de particuliere halfwezenuitkering van haar zoon per abuis naar de rekening van de weduwe van diens vader is overgemaakt.
4.3.8. De melding van 13 februari 2004 kan naar het oordeel van de Raad, nu zij niet ziet op de onaanvaardbare consequenties van de intrekking of terugvordering voor appellante, niet worden aangemerkt als een dringende reden in de zin van de thans vigerende beleidsregels inzake intrekking en terugvordering.
4.3.9. De betreffende melding vormt evenmin een grond om met toepassing van artikel 4:84 (slot) van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) geheel of gedeeltelijk van deze beleidsregels af te wijken. De Raad neemt daarbij allereerst in aanmerking dat het appellant redelijkerwijs duidelijk moet zijn geweest dat bij de verlening van de bijstand met het pensioen van haar minderjarige zoon rekening dient te worden gehouden. Bij personen aan wie gezinsbijstand naar de norm voor gehuwden of naar de norm voor een alleenstaande ouder is verleend mag immers bekend worden verondersteld dat het feit dat hun minderjarig kind een pensioen ontvangt van invloed is op de bijstandsverlening in die zin dat de bijstand slechts in aanvulling op dat pensioen wordt verleend.
4.3.10. Met betrekking tot het beroep van appellante op de zes maanden jurisprudentie overweegt de Raad dat de melding van 13 februari 2004 niet kan worden aangemerkt als een signaal waaruit concreet kan worden afgeleid dat er sprake is van een fout op grond waarvan het bestuursorgaan actie had dienen te ondernemen. Uit die melding had het College niet alleen kunnen afleiden dat de zoon van appellante aanspraak kon maken op een uitkering, maar ook dat die uitkering nog niet aan hem was uitbetaald. Laatstgenoemde omstandigheid brengt echter mee dat, zolang de uitkering nog niet aan de zoon van appellante was uitbetaald, daarmee bij de verlening van bijstand aan appellante geen rekening kan worden gehouden. Van de zijde van het College is naar het oordeel van de Raad adequaat op de melding van 13 februari 2004 gereageerd door met appellante af te spreken dat, zodra de uitkering aan haar zoon wordt uitbetaald, zij daarvan bij het College melding zal maken. Dat appellante dat vervolgens lange tijd niet heeft gedaan als gevolg waarvan het bedrag van de ten onrechte verleende bijstand onnodig is opgelopen kan het College niet worden verweten.
4.3.11. De Raad merkt met het oog op de nadere besluitvorming door het College verder nog op dat er, gelet op het door partijen niet bestreden oordeel van de rechtbank inzake brutering van de terugvordering, het College van brutering van de vordering dient af te zien.
5. Het verzoek van appellante om vergoeding van schade komt thans niet voor toewijzing in aanmerking, omdat nadere besluitvorming door het College noodzakelijk is en de Raad onvoldoende inzicht heeft in de omvang van de door het besluit van 21 november 2006 geleden schade. Het College zal bij zijn nadere besluitvorming tevens aandacht dienen te besteden aan de vraag of en, zo ja, in hoeverre er termen zijn om schade te vergoeden.
6. Het College zal bij het nader te nemen besluit verder een beslissing moeten nemen op het verzoek van appellante om vergoeding van de kosten die zij in verband met de behandeling van het bezwaar heeft gemaakt.
7. De Raad ziet aanleiding om het College te veroordelen in de proceskosten van appellante. Deze kosten worden begroot op € 644,-- in hoger beroep voor verleende rechtsbijstand.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Vernietigt de aangevallen uitspraak voor zover aangevochten;
Bepaalt dat het College een nieuw besluit op bezwaar neemt met inachtneming van deze uitspraak;
Veroordeelt het College in de proceskosten van appellante tot een bedrag van € 644,--;
Bepaalt dat het College aan appellante het in hoger beroep betaalde griffierecht van
€ 106,-- vergoedt.
Deze uitspraak is gedaan door N.J. van Vulpen-Grootjans als voorzitter en J.J.A. Kooijman en O.L.H.W.I. Korte als leden, in tegenwoordigheid van R.L.G. Boot als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 1 december 2009.
get.) N.J. van Vulpen-Grootjans.
get.) R.L.G. Boot.
mm