ECLI:NL:CRVB:2009:BK5735
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Afwijzing aanvraag langdurigheidstoeslag op grond van artikel 36 WWB bevestigd
Appellant heeft op 14 september 2006 een aanvraag ingediend voor langdurigheidstoeslag op grond van artikel 36 van Pro de Wet werk en bijstand (WWB). Het College van burgemeester en wethouders van Utrecht wees deze aanvraag op 22 september 2006 af en verklaarde het bezwaar tegen dit besluit op 17 december 2007 ongegrond. Het College stelde dat appellant in de voorafgaande zestig maanden inkomen uit of in verband met arbeid had ontvangen, waardoor hij niet voldeed aan de voorwaarden voor langdurigheidstoeslag.
Appellant ontving vanaf 24 september 2001 een Ziektewetuitkering en aansluitend een WAO-uitkering met een arbeidsongeschiktheid van 80-100%. De Raad oordeelde dat deze uitkeringen als inkomsten in verband met arbeid moeten worden beschouwd en dat het College terecht heeft geoordeeld dat er sprake was van feitelijke arbeidsmarktperspectieven. Appellant slaagde er niet in aannemelijk te maken dat hij geen reëel arbeidsmarktperspectief of resterende verdiencapaciteit had.
De Raad onderzocht ook de uitzondering in artikel 36, vierde lid, WWB, die geldt voor personen met een arbeidsongeschiktheidsuitkering van ten minste 80%. Uit een besluit van het UWV bleek dat appellant vanaf 31 december 2003 voor 80-100% arbeidsongeschikt werd geacht, maar dit maakte niet aannemelijk dat hij geen reëel arbeidsmarktperspectief had. Daarom voldeed appellant niet aan de voorwaarden voor langdurigheidstoeslag in de periode van 14 september 2006 tot en met 17 december 2007.
Het hoger beroep werd verworpen, de uitspraak van de rechtbank Utrecht werd bevestigd voor zover aangevochten, en het verzoek om schadevergoeding werd afgewezen. De Raad zag geen aanleiding voor een veroordeling in proceskosten.
Uitkomst: De aanvraag langdurigheidstoeslag wordt afgewezen en het hoger beroep wordt verworpen.