ECLI:NL:CRVB:2009:BK6525
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Herziening ouderdomspensioen wegens gezamenlijke huishouding vanaf 1999
Appellante ontving sinds juni 1996 AOW-pensioen berekend naar de norm voor gehuwden. Na het overlijden van haar echtgenoot in 1996 werd dit vanaf december 1996 herzien naar de norm voor ongehuwden. De Sociale verzekeringsbank (Svb) herzag het pensioen echter opnieuw met ingang van 1 januari 1997, op basis van een onderzoek dat stelde dat appellante en [B] vanaf die datum een gezamenlijke huishouding voerden.
De Raad oordeelt dat de gegevens uit het sociale rechercheonderzoek onvoldoende bewijs leveren dat appellante en [B] vanaf 1 januari 1997 tot 1 januari 1999 samenwoonden. De verklaringen van [B] en een getuige geven een ruime marge in de aanvangsdatum, waardoor dit niet zonder meer kan worden aangenomen. Voor de periode vanaf 1 januari 1999 tot 4 juli 2003 is er echter wel voldoende bewijs, waaronder verklaringen van buurtbewoners, bankgegevens en het feit dat [B] een eigen kamer in de woning van appellante heeft.
Daarnaast is vastgesteld dat er sprake is van wederzijdse verzorging, zoals gezamenlijke kosten en zorg voor elkaars kleding. De Raad vernietigt daarom het besluit tot herziening van het pensioen vanaf 1997, maar bevestigt de herziening vanaf 1999, waarbij het pensioen wordt berekend op basis van de norm voor gehuwden. Tevens wordt de Svb veroordeeld in de proceskosten van appellante.
Uitkomst: Het ouderdomspensioen van appellante wordt herzien vanaf 1 januari 1999 op basis van de norm voor gehuwden en eerdere herziening vanaf 1997 wordt vernietigd.