ECLI:NL:CRVB:2009:BK6589
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Verwijtbaarheid werkloosheid na ontbinding arbeidsovereenkomst op verzoek werkgever
Betrokkene was sinds 1996 in dienst bij een bouwmaterialenbedrijf en werd in 2006 op non-actief gesteld vanwege een verstoorde arbeidsrelatie. Hij werd vervolgens gedwongen werkzaamheden te verrichten bij een ander bedrijf waarin de werkgever een minderheidsbelang had, wat hij onder protest deed. Betrokkene verzocht de kantonrechter om ontbinding van de arbeidsovereenkomst en een vergoeding, maar trok dit verzoek later in. De werkgever vroeg daarop zelf om ontbinding zonder vergoeding.
Na ontbinding vroeg betrokkene een WW-uitkering aan, die door het UWV werd geweigerd wegens verwijtbare werkloosheid. De rechtbank verklaarde het bezwaar gegrond en vernietigde het besluit, oordeelde dat de ontbinding niet op verzoek van betrokkene was en dat hij niet verplicht was de werkzaamheden bij het andere bedrijf te aanvaarden.
In hoger beroep betoogde het UWV dat de ontbinding wel op verzoek van betrokkene was en dat hij verwijtbaar werkloos was. De Raad oordeelde echter dat de ontbinding op verzoek van de werkgever plaatsvond en dat de wet dit niet anders interpreteert. Ook het standpunt dat betrokkene passende arbeid had geweigerd werd door het UWV ingetrokken. De Raad bevestigde daarmee het oordeel van de rechtbank en wees het hoger beroep af.
De Raad bepaalde tevens dat het UWV nadere besluitvorming moet verrichten over rentevergoeding en proceskosten, en veroordeelde het UWV tot betaling van de proceskosten van betrokkene.
Uitkomst: De Raad bevestigt dat betrokkene niet verwijtbaar werkloos is omdat de arbeidsovereenkomst op verzoek van de werkgever is ontbonden.