ECLI:NL:CRVB:2010:BL1763
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Vernietiging intrekking bijstand wegens onvoldoende bewijs substantiële bijdrage levensonderhoud
Appellant ontving bijstand vanaf 8 februari 2006. Na onderzoek door sociale recherche stelde het College dat appellant onrechtmatig bijstand ontving omdat hij fulltime werkte bij het bedrijf van zijn broer en een auto als tegenprestatie kreeg. Het College trok de bijstand in en vorderde terugbetaling.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond. In hoger beroep oordeelt de Centrale Raad van Beroep dat de verklaring van [Y.] over de financiële bijdrage in het levensonderhoud onvoldoende is om de intrekking over de periode 8 februari 2006 tot en met 30 maart 2007 te rechtvaardigen. Voor de periode daarna is vastgesteld dat appellant meer dan 12 uur per week substantieel werkte zonder dit te melden, wat een schending van de inlichtingenplicht vormt.
De Raad vernietigt het besluit voor de eerste periode en herroept het intrekkingsbesluit, maar houdt de intrekking vanaf 31 maart 2007 in stand. Het College moet een nieuwe beslissing nemen over de terugvordering. Tevens veroordeelt de Raad het College in de proceskosten en vergoedt het griffierecht aan appellant.
Uitkomst: Intrekking bijstand vernietigd voor 8 februari 2006 tot 30 maart 2007, maar gehandhaafd vanaf 31 maart 2007 wegens schending inlichtingenplicht.