ECLI:NL:CRVB:2010:BL6380

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
16 februari 2010
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
07-6883 WWB
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 19 WWBArt. 31 WWBArt. 32 WWBHoofdstuk 8 Wet IB 2001Art. 8.15 Wet IB 2001
Verwijzingen
12 uitgaand · 5 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging dat voorlopige alleenstaande-ouderkorting tot inkomen WWB behoort

Appellante ontving bijstand op grond van de Wet werk en bijstand (WWB) met een toeslag voor alleenstaanden. Het College verlaagde haar netto-uitkering vanwege een voorlopige teruggaaf van alleenstaande-ouderkorting die zij voor de inkomstenbelasting 2006 had ontvangen. Appellante maakte bezwaar tegen deze verrekening, maar dit werd door het College ongegrond verklaard. Ook de rechtbank verklaarde het beroep van appellante ongegrond.

In hoger beroep stond centraal of de voorlopige teruggaaf van alleenstaande-ouderkorting tot het inkomen behoort dat in mindering wordt gebracht op de bijstand. De Raad oordeelde dat de alleenstaande-ouderkorting niet is uitgezonderd van het middelenbegrip volgens artikel 31 van Pro de WWB en dat ook de voorlopige teruggaaf als inkomen moet worden beschouwd. Dit volgt uit de wetstekst en de memorie van toelichting, die aangeven dat ook voorlopige teruggaaf tot de middelen behoort waarover iemand redelijkerwijs kan beschikken.

De Raad bevestigde daarom de eerdere uitspraak en wees het hoger beroep af. Tevens werd geen proceskostenveroordeling opgelegd. Hiermee is duidelijk dat voorlopige teruggaaf van alleenstaande-ouderkorting meetelt bij de vaststelling van het inkomen voor de bijstand, ook als deze later wordt gecorrigeerd.

Uitkomst: Het hoger beroep wordt afgewezen en de verrekening van de voorlopige alleenstaande-ouderkorting op de bijstand bevestigd.

Uitspraak

07/6883 WWB
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[Appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),
tegen de uitspraak van de rechtbank Maastricht van 6 november 2007, 07/424 (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellante
en
het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Maastricht (hierna: College)
Datum uitspraak: 16 februari 2010
I. PROCESVERLOOP
Namens appellante heeft mr. I. Wudka, advocaat te Maastricht, hoger beroep ingesteld.
Het College heeft een verweerschrift ingediend.
Met toestemming van partijen heeft de Raad bepaald dat het onderzoek ter zitting achterwege blijft.
II. OVERWEGINGEN
1. Op grond van de gedingstukken gaat de Raad uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.
1.1. Bij besluit van 1 november 2006 heeft het College aan appellante met ingang van 1 juli 2006 bijstand ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB) toegekend, naar de norm voor een alleenstaande met een toeslag van 20%. Daarbij is bepaald dat de netto-uitkering wordt verlaagd wegens de aan appellante voor de inkomstenbelasting 2006 verleende voorlopige teruggaaf van alleenstaande-ouderkorting.
1.2. Bij besluit van 14 februari 2007 heeft het College het tegen deze verrekening gerichte bezwaar van appellante ongegrond verklaard.
2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellante ongegrond verklaard.
3. In hoger beroep heeft appellante zich gemotiveerd tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.
4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.
4.1. Het geschil spitst zich toe op de vraag of de aan appellante verleende teruggaaf van alleenstaande-ouderkorting, gelet op het voorlopige karakter daarvan, behoort tot de inkomensbestanddelen die op de bijstand in mindering strekken.
4.2. In artikel 31, eerste lid, eerste volzin, van de WWB is bepaald dat tot de middelen alle vermogens- en inkomensbestanddelen worden gerekend waarover de alleenstaande of het gezin beschikt of redelijkerwijs kan beschikken. Ingevolge de derde volzin behoort in elk geval tot de middelen de ten aanzien van de alleenstaande of het gezin toepasselijke heffingskorting, bedoeld in hoofdstuk 8 van de Wet inkomstenbelasting 2001 (Wet IB).
Van dit hoofdstuk maakt onder meer artikel 8.15 van de Wet IB deel uit, welke bepaling handelt over de alleenstaande-ouderkorting.
4.3. De alleenstaande-ouderkorting behoort niet tot de vermogens- of inkomensbestanddelen die ingevolge artikel 31, tweede lid, van de WWB (in afwijking van het eerste lid) niet tot de middelen worden gerekend. Daarbij is in het bijzonder van belang dat de alleenstaande-ouderkorting (anders dan de aanvullende alleenstaande ouderkorting) niet wordt genoemd in de onder c gegeven opsomming van heffingskortingen die op grond van hoofdstuk 8 van de Wet IB voor de toepassing van de WWB van het middelenbegrip zijn uitgezonderd.
4.4. Gelet op het vorenstaande heeft het College zich terecht op het standpunt gesteld dat de alleenstaande ouderkorting behoort tot het inkomen bedoeld in artikel 32, eerste lid, van de WWB, dat op de voet van artikel 19, tweede lid, van die wet op de algemene bijstand in mindering komt.
4.5. Anders dan appellante betoogt, doet hieraan niet af dat het in haar geval slechts ging om een voorlopige teruggaaf. De WWB maakt hier geen onderscheid. Ook een voorlopige teruggaaf behoort tot de middelen waarover de betrokkene beschikt of redelijkerwijs kan beschikken. Indien deze teruggaaf bij de latere aanslagregeling geheel of gedeeltelijk ongedaan wordt gemaakt, kan voor die nadere aanslag met terugwerkende kracht algemene bijstand worden verleend. De memorie van toelichting op artikel 31 van Pro de WWB stelt dit buiten twijfel (Kamerstukken II 2002-2003, 28 870, nr. 3, p. 56).
4.6. Het hoger beroep treft dus geen doel. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.
5. Voor een proceskostenveroordeling met toepassing van artikel 8:75 van Pro de Algemene wet bestuursrecht bestaat geen aanleiding.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door R.C. Schoemaker als voorzitter en R. Kooper en O.L.H.W.I. Korte als leden, in tegenwoordigheid van R.L.G. Boot als griffier.
De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 16 februari 2010.
(get.) R.C. Schoemaker.
(get.) R.L.G. Boot.
SG