ECLI:NL:CRVB:2012:BX7174
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- R.H.M. Roelofs
- O.L.H.W.I. Korte
- C.H. Bangma
- Rechtspraak.nl
Bevestiging verrekening alleenstaande-ouderkorting op WWB-uitkering
Appellante ontving bijstand op grond van de WWB met een toeslag voor alleenstaande ouders. Het college bracht de fiscale alleenstaande-ouderkorting in mindering op haar uitkering. Na het bereiken van de meerderjarigheid van haar jongste inwonende kind wijzigde het college de uitkering en hield het bedrag van de alleenstaande-ouderkorting in mindering op de uitkeringsspecificaties over mei en juni 2009.
Appellante maakte bezwaar tegen deze inhoudingen, maar het college verklaarde het bezwaar niet-ontvankelijk. De rechtbank Maastricht oordeelde dat het bezwaar wel ontvankelijk was, maar dat de inhouding terecht was en geen verboden discriminatie vormde. Appellante ging hiertegen in hoger beroep.
De Centrale Raad bevestigt de uitspraak van de rechtbank. De Raad stelt dat de alleenstaande-ouderkorting niet tot de middelen behoort die op grond van artikel 31, tweede lid, WWB buiten beschouwing moeten blijven. De korting is een fiscale vermindering van te betalen inkomstenbelasting en niet bedoeld als een verstrekking ten behoeve van het levensonderhoud van de kinderen.
Verder oordeelt de Raad dat er geen sprake is van verboden onderscheid tussen gelijke gevallen, omdat de WWB als vangnetregeling een andere functie heeft dan andere sociale zekerheidsuitkeringen. De onderhoudsverplichting van appellante jegens haar zoon wordt niet beïnvloed door de verrekening, omdat deze verplichting begrensd is door haar draagkracht. Het hoger beroep faalt en de aangevallen uitspraak wordt bevestigd.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat de alleenstaande-ouderkorting terecht in mindering is gebracht op de WWB-uitkering en verklaart het hoger beroep ongegrond.