ECLI:NL:CRVB:2010:BL7989
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- A.B.J. van der Ham
- J.M.A. van der Kolk-Severijns
- N.M. van Waterschoot
- Rechtspraak.nl
Bevestiging intrekking bijstand wegens gezamenlijke huishouding en schending inlichtingenplicht
Appellante ontving vanaf januari 2004 bijstand als alleenstaande ouder. Na een anonieme tip startte de gemeente Almere een onderzoek naar haar woonsituatie, waarbij werd vastgesteld dat zij vanaf 17 april 2007 samenwoonde met de heer A. op hetzelfde adres. De bijstand werd daarop ingetrokken wegens het voeren van een gezamenlijke huishouding.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellante tegen deze intrekking ongegrond. In hoger beroep bevestigde de Centrale Raad van Beroep deze uitspraak. De Raad oordeelde dat appellante en de heer A. hun hoofdverblijf hadden op hetzelfde adres en dat sprake was van wederzijdse zorg, blijkend uit gezamenlijk gebruik van voorzieningen en financiële bijdragen.
De Raad stelde vast dat appellante niet had voldaan aan haar inlichtingenplicht zoals bedoeld in artikel 17 van Pro de WWB, waardoor het College bevoegd was de bijstand in te trekken. De intrekking werd niet beperkt tot een bepaalde periode, maar betrof de periode vanaf 17 april 2007 tot en met het primaire besluit op 11 mei 2007.
De Raad vond geen aanleiding voor het toewijzen van proceskosten en bevestigde de uitspraak van de rechtbank.
Uitkomst: De intrekking van de bijstand wegens gezamenlijke huishouding en schending van de inlichtingenplicht wordt bevestigd.