ECLI:NL:CRVB:2010:BL9549
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- K. Zeilemaker
- Rechtspraak.nl
Bevestiging beëindiging tijdelijk dienstverband ambtenaar zonder recht op vaste aanstelling
Appellant was van 1 maart 2003 tot 1 maart 2006 in tijdelijke dienst bij een stadsdeel als beheerder sportaccommodaties. Op 17 februari 2006 werd hem meegedeeld dat zijn dienstverband tot 27 maart 2006 werd verlengd en daarna beëindigd. Na bezwaar werd dit besluit gehandhaafd.
Appellant voerde aan dat hij mocht vertrouwen op voortzetting van het dienstverband of een vaste aanstelling, onder meer vanwege een vermeende toezegging in september 2004. De Raad oordeelde dat uit de stukken en correspondentie bleek dat geen ondubbelzinnige toezeggingen waren gedaan waarop een recht kon worden gebaseerd.
De Raad benadrukte dat tijdelijke aanstellingen niet automatisch leiden tot verlenging of vaste aanstelling, tenzij er een verplichting of ongeschreven recht, zoals het vertrouwensbeginsel, geldt. De enkele verwachting van appellant was onvoldoende, vooral na ontvangst van een brief waarin werd ontkend dat toezeggingen waren gedaan.
De Raad concludeerde dat appellant slechts korte tijd in 2004 kon hebben gedacht op een vaste aanstelling, maar dat hem ruim voor het einde van het dienstverband duidelijk was dat dit niet zou gebeuren. Het hoger beroep werd daarom ongegrond verklaard en de eerdere uitspraak bevestigd.
Uitkomst: Het tijdelijke dienstverband van appellant werd rechtsgeldig beëindigd zonder recht op voortzetting of vaste aanstelling.