ECLI:NL:CRVB:2010:BM6358
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging intrekking en terugvordering bijstandsuitkering wegens handel in verdovende middelen
Appellant ontving bijstand van augustus 2004 tot mei 2006, maar verrichtte in die periode werkzaamheden en genoot inkomsten uit handel in verdovende middelen zonder dit te melden. Dit leidde tot intrekking van de bijstand en terugvordering van €18.473,63 door het Dagelijks bestuur van de Intergemeentelijke Sociale Dienst Noordoost.
Appellant voerde aan dat het recht op bijstand achteraf wel vastgesteld kon worden en dat terugvordering beperkt zou moeten zijn tot het bedrag van het wederrechtelijk verkregen voordeel dat strafrechtelijk was vastgesteld. De Raad oordeelde dat de strafrechtelijke vaststelling niet bepalend is voor de bestuursrechtelijke terugvordering en dat appellant niet aannemelijk had gemaakt recht op bijstand te hebben gehad.
Verder wees de Raad het beroep van appellant af dat er dringende redenen zouden zijn om van terugvordering af te zien, omdat financiële gevolgen niet primair of uitsluitend reden zijn en er geen ernstige gevolgen voor appellant of zijn gezin waren aangetoond.
De Raad bevestigde de uitspraak van de rechtbank Groningen en wees het hoger beroep af, zonder proceskostenveroordeling.
Uitkomst: Hoger beroep wordt afgewezen en intrekking en terugvordering van bijstand bevestigd.