ECLI:NL:CRVB:2010:BM7957
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging intrekking bijstand wegens gezamenlijke huishouding en schending inlichtingenplicht
Appellante ontving bijstand sinds 1999 en werd onderzocht nadat melding kwam dat zij samenwoonde met de heer D. De gemeente stelde een onderzoek in, inclusief buurtonderzoek en verklaringen, en concludeerde dat appellante en D. een gezamenlijke huishouding voerden. Op grond hiervan trok het College de bijstand in vanaf 15 augustus 2006 en vorderde gemaakte kosten terug.
Appellante maakte bezwaar tegen de intrekking en de opgelegde maatregel, maar het College verklaarde het bezwaar tegen de maatregel niet-ontvankelijk en wees het bezwaar tegen intrekking af. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond. In hoger beroep stelde appellante dat het huisbezoek onrechtmatig was en dat er geen gezamenlijke huishouding was.
De Raad oordeelde dat appellante onvoldoende procesbelang had bij de maatregel omdat deze niet geëffectueerd was. Ten aanzien van de intrekking stelde de Raad vast dat appellante en D. hun hoofdverblijf hadden op hetzelfde adres en dat er sprake was van een gezamenlijke huishouding. Hierdoor was appellante niet zelfstandig bijstandsontvanger en had zij de inlichtingenplicht geschonden. Het College was bevoegd de bijstand in te trekken en de kosten terug te vorderen. De grieven over het huisbezoek werden niet inhoudelijk behandeld omdat er geen schadevergoeding was gevraagd.
De Raad verklaarde het hoger beroep tegen de maatregel niet-ontvankelijk en bevestigde de intrekking en terugvordering zoals door de rechtbank vastgesteld.
Uitkomst: Het hoger beroep tegen de maatregel is niet-ontvankelijk verklaard en de intrekking van de bijstand en terugvordering zijn bevestigd.