ECLI:NL:CRVB:2010:BN0397
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering WW-uitkering wegens niet voldoen aan referte-eis
Appellante had bezwaar gemaakt tegen de weigering van een WW-uitkering door het UWV, omdat zij volgens eigen zeggen vanaf 27 september 2005 werkloos was. De Raad had eerder het besluit van het UWV vernietigd wegens onvoldoende onderzoek naar haar beschikbaarheid voor arbeid in de periode tot 27 maart 2006. Na hernieuwd onderzoek en verzoeken om nadere informatie over sollicitaties, waarop appellante niet reageerde, handhaafde het UWV het besluit tot ontzegging van de uitkering.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellante ongegrond, stellende dat zij onvoldoende aannemelijk had gemaakt dat zij vóór de aanvraagdatum beschikbaar was voor de arbeidsmarkt. De Raad onderschrijft dit oordeel en stelt vast dat de inschrijving bij het CWI slechts een formaliteit was en niet duidde op daadwerkelijke beschikbaarheid. Appellante had niet gereageerd op verzoeken om aanvullende informatie, waardoor het UWV niet kon vaststellen dat zij aan de referte-eis voldeed.
De Raad bevestigt daarom het besluit van het UWV en de uitspraak van de rechtbank, wijst het verzoek om een nieuwe hoorzitting af en ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling of schadevergoeding. De weigering van de WW-uitkering blijft daarmee in stand.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de weigering van de WW-uitkering wegens niet voldoen aan de referte-eis en onvoldoende beschikbaarheid.