2.2. Na appellant met ingang van 5 juli 2007 in zijn ambt te hebben geschorst, verleende de minister appellant bij besluit van 11 december 2007, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 9 september 2008 (hierna: bestreden besluit), met ingang van 1 januari 2008 onvrijwillig ontslag wegens wangedrag als bedoeld in artikel 39, tweede lid, aanhef en onder l, van het Algemeen militair ambtenarenreglement (hierna: AMAR). Het ontslag is gebaseerd op de bevindingen van een onderzoek door de sectie Interne Onderzoeken van de Kmar. Appellant wordt verweten dat hij gedurende zijn plaatsing bij de DHBV in strijd met de instructies veelvuldig tijdens en na de diensten handelingen heeft uitgevoerd met een doorgeladen pistool. Het ontslag berust op de volgende, in de processen-verbaal van de sectie Interne Onderzoeken beschreven, incidenten:
- [collega 1] heeft aangifte gedaan van bedreiging met een pistool door appellant tijdens een wachtdienst op Paleis Noordeinde eind januari 2007;
- [collega 2] heeft verklaard te hebben gezien dat appellant tijdens een wachtdienst op de Koninklijke Stallen in strijd met de ambtsinstructie zijn pistool aan het laden en ontladen was, zodat heel snel achter elkaar de patronen uit het pistool vlogen;
- [collega 1] heeft verklaard dat appellant haar in februari 2007 een filmpje heeft laten zien op zijn mobiele telefoon, waarop is te zien dat een collega op het wachtobject De Horsten met een pistool loopt te zwaaien;
- [collega 3] heeft verklaard dat appellant hem tijdens een wachtdienst eind december 2006 op Paleis Huis Ten Bosch een pistool in de rug heeft geduwd en daarbij heeft gezegd dat hij door moest lopen;
- [collega 3] heeft tevens verklaard dat appellant tijdens een wachtdienst op het Catshuis, in aanwezigheid van meerdere collega’s, een pistool op hem heeft gericht toen hij in de bus wilde stappen;
- [collega 3] heeft verklaard dat hij enkele keren heeft gezien dat appellant, vaak samen met [collega 5], tijdens de aflossing van de wachtdienst kwam aanlopen met een getrokken pistool en dit als een soort cowboy om zijn vinger draaide;
- [collega 6] heeft verklaard dat appellant in december 2006, tijdens een wachtdienst op Paleis Huis Ten Bosch, zijn pistool onnodig uit het holster heeft gehaald en daarmee heeft lopen zwaaien.
Bij wijze van aanvulling op het primaire ontslagbesluit vermeldt het bestreden besluit naast deze zeven incidenten ook nog de volgende, eveneens in de processen-verbaal van de sectie Interne Onderzoeken beschreven incidenten:
- [collega 7] heeft verklaard dat zij tijdens een wachtdienst op de Koninklijke Stallen heeft gezien dat appellant, samen met een collega, in strijd met de ambtsinstructie een pistool aan het laden en ontladen was;
- [collega 7] heeft tevens verklaard dat appellant haar foto’s heeft laten zien op zijn mobiele telefoon waarop zichtbaar was dat met patronen islamitische symbolen waren gemaakt;
- [collega 3] heeft verklaard dat hij meerdere keren heeft gezien dat appellant handelde in strijd met de ambtsinstructie ten aanzien van het gebruik van zijn dienstwapen.