ECLI:NL:CRVB:2010:BN7155
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Weigering WW-uitkering na ontslag wegens ernstig plichtsverzuim ambtenaar Belastingdienst
Appellant, een ambtenaar bij het Ministerie van Financiën, werd geschorst en onvoorwaardelijk ontslagen wegens ernstig plichtsverzuim, waaronder het doen van onjuiste belastingaangiften en het niet melden van nevenwerkzaamheden. Het Uwv weigerde hem een WW-uitkering omdat hij verwijtbaar werkloos was geworden.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellant tegen de weigering ongegrond, waarbij zij zich baseerde op feiten vastgesteld door de Raad in een eerdere uitspraak. Appellant stelde in hoger beroep dat het oordeel over de feiten onjuist was en dat het besluit onzorgvuldig was voorbereid.
De Raad oordeelde dat het Uwv zich mocht baseren op de eerder vastgestelde feiten, maar dat het besluit tot weigering van de WW-uitkering berustte op een onjuiste wettelijke grondslag. De Raad vernietigde het besluit, maar bepaalde dat de rechtsgevolgen in stand konden blijven omdat appellant door eigen toedoen geen passende arbeid had behouden en de werkloosheid verwijtbaar was.
De Raad veroordeelde het Uwv tot vergoeding van de proceskosten van appellant. Hiermee werd het beroep deels gegrond verklaard, waarbij het Uwv alsnog de weigering van de WW-uitkering mocht handhaven op correcte wettelijke gronden.
Uitkomst: Het bestreden besluit wordt vernietigd wegens onjuiste grondslag, maar de rechtsgevolgen blijven in stand vanwege verwijtbare werkloosheid.