ECLI:NL:CRVB:2010:BO1558
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Weigering WW-uitkering vanwege vermeende verwijtbare werkloosheid niet gerechtvaardigd
Appellante was als productieoperator werkzaam en meldde zich ziek met klachten aan de linkerarm. Na een periode van ziekte en re-integratie werd zij op staande voet ontslagen wegens het niet hervatten van passende werkzaamheden. Het UWV weigerde haar WW-uitkering met de reden dat zij verwijtbaar werkloos was geworden. De rechtbank bevestigde deze weigering, stellende dat sprake was van een dringende reden in de zin van het arbeidsrecht.
De Centrale Raad van Beroep oordeelt echter dat het UWV en de rechtbank ten onrechte hebben aangenomen dat er een dringende arbeidsrechtelijke reden was voor de werkloosheid. De Raad stelt vast dat de weigering om passende arbeid te verrichten weliswaar een sanctie in de vorm van loonverlies kan rechtvaardigen, maar niet leidt tot een dringende reden voor ontslag of verwijtbare werkloosheid. Ook het niet naleven van het verzuimprotocol is onvoldoende onderbouwd als dringende reden.
De Raad vernietigt het besluit van het UWV en verklaart het beroep gegrond. Het UWV moet opnieuw beslissen over het bezwaar van appellante en tevens een beslissing nemen over vergoeding van wettelijke rente en kosten van rechtsbijstand. Tevens wordt het UWV veroordeeld in de proceskosten van appellante.
Uitkomst: Het besluit van het UWV om de WW-uitkering te weigeren wegens verwijtbare werkloosheid wordt vernietigd en het UWV moet opnieuw beslissen.