ECLI:NL:CRVB:2010:BO4347
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Intrekking bijstandsuitkering wegens gezamenlijke huishouding en wederzijdse zorg
Appellante ontving sinds juni 2004 bijstand als alleenstaande. Het College van B&W Utrecht stelde na een onderzoek vast dat zij vanaf juni 2007 een gezamenlijke huishouding voerde met [K.] op hetzelfde adres, wat leidde tot blokkering en intrekking van haar bijstandsuitkering.
De Raad beoordeelde of sprake was van wederzijdse zorg, een criterium voor gezamenlijke huishouding volgens de WWB. Dit bleek uit een mate van financiële verstrengeling en gezamenlijke huishoudelijke handelingen, zoals gezamenlijk gebruik van huisraad, boodschappen doen, en deels samen koken en wassen.
Hoewel het rapport van het onderzoek niet volledig aan de besluitvorming kon worden ten grondslag gelegd vanwege procedurele tekortkomingen, waren de niet-bestreden feiten voldoende om wederzijdse zorg aan te nemen. De Raad verwierp het verweer van appellante dat er geen intentie was tot gezamenlijke huishouding en bevestigde de intrekking van de bijstand. Het verzoek tot schadevergoeding werd afgewezen.
Uitkomst: De intrekking van de bijstandsuitkering wegens gezamenlijke huishouding wordt bevestigd.