ECLI:NL:CRVB:2012:BY6532
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging terugvordering bijstand wegens niet tijdige bedrijfsbeëindiging
Appellant kreeg bijstand toegekend onder de voorwaarde dat hij zijn bedrijfsactiviteiten uiterlijk binnen twaalf maanden zou beëindigen. Het dagelijks bestuur trok de bijstand met ingang van 25 september 2001 in vanwege het niet naleven van deze verplichting. De rechtbank Groningen verklaarde het beroep van appellant tegen dit besluit ongegrond, wat later door de Centrale Raad van Beroep werd bevestigd.
Vervolgens vorderde het dagelijks bestuur ten onrechte betaalde bijstand over de periode 25 september 2001 tot en met 26 september 2002 terug. Appellant stelde dat terugvordering onaanvaardbare sociale en financiële gevolgen zou hebben, waaronder stigmatisering en een langdurige beslaglegging op zijn inkomen. De rechtbank oordeelde echter dat deze gevolgen inherent zijn aan een terugvorderingsbesluit en appellant onvoldoende onderbouwing leverde om dringende redenen aan te tonen.
In hoger beroep herhaalde appellant zijn bezwaren, maar de Centrale Raad van Beroep onderschreef de eerdere overwegingen en benadrukte dat de financiële gevolgen pas relevant worden bij daadwerkelijke invordering, waarbij wettelijke bescherming via de beslagvrije voet geldt. De Raad bevestigde daarom het bestreden besluit en wees een veroordeling in proceskosten af.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de terugvordering van bijstand en wijst het hoger beroep af.