ECLI:NL:CRVB:2011:BP8093
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging intrekking en terugvordering bijstand wegens onjuist opgegeven hoofdverblijf
Appellante ontving bijstand als alleenstaande vanaf 1 augustus 1998, woonachtig aan een adres in een plaats. Na onderzoek door de gemeente Rotterdam vanwege twijfels over haar werkelijke woonsituatie, is vastgesteld dat zij sinds 1 oktober 2001 feitelijk haar hoofdverblijf had op een ander adres waar zij een gezamenlijke huishouding voerde met haar voormalige partner.
De gemeente trok de bijstand per 1 juli 2007 in en vorderde de ten onrechte ontvangen bijstand over de periode van 1 oktober 2001 tot en met 30 juni 2007 terug. De rechtbank verklaarde het beroep van appellante tegen deze besluiten ongegrond. In hoger beroep voerde appellante aan dat onvoldoende bewijs bestond dat zij haar hoofdverblijf niet op het opgegeven adres had.
De Raad oordeelde dat de verklaringen van appellante en haar voormalige partner, gecombineerd met het extreem lage waterverbruik op het opgegeven adres, voldoende bewijs vormen dat appellante haar hoofdverblijf niet op dat adres had. Ook andere omstandigheden, zoals kasopnames en het aanhouden van een huisarts in de plaats, konden dit niet weerleggen. De Raad bevestigde dat appellante haar inlichtingenverplichting heeft geschonden en dat het College terecht de bijstand heeft ingetrokken en teruggevorderd.
De aangevallen uitspraak van de rechtbank wordt bevestigd en er wordt geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: De intrekking en terugvordering van bijstand worden bevestigd omdat appellante haar hoofdverblijf niet op het opgegeven adres had.