ECLI:NL:CRVB:2011:BP8107
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- J.M.A. van der Kolk-Severijns
- J.N.A. Bootsma
- W.F. Claessens
- Rechtspraak.nl
Bevestiging intrekking bijstand wegens niet gemeld onroerend goed in Marokko
Appellant ontving vanaf 15 juli 2005 bijstand op grond van de Wet werk en bijstand (WWB). Het College van burgemeester en wethouders van Amsterdam stelde na onderzoek vast dat appellant een appartement in Marokko op zijn naam had staan met een waarde van €120.000, zonder dit te hebben gemeld bij de aanvraag of daarna.
Het College trok de bijstand per 15 juli 2005 in wegens het overschrijden van de vermogensgrens. De rechtbank verklaarde het beroep van appellant tegen deze intrekking ongegrond. In hoger beroep betoogde appellant dat hij niet redelijkerwijs over het onroerend goed kan beschikken, onderbouwd met verklaringen dat hij het appartement niet mag verkopen of verhuren.
De Raad oordeelde dat het feit dat het onroerend goed op naam van appellant staat de veronderstelling rechtvaardigt dat hij er redelijkerwijs over kan beschikken. Appellant slaagde er niet in dit te weerleggen met objectieve en verifieerbare gegevens. Ook de gestelde schuld aan zijn vader werd niet aannemelijk gemaakt. Daarom was het College bevoegd de bijstand in te trekken en werd de aangevallen uitspraak bevestigd.
Uitkomst: De intrekking van de bijstand wordt bevestigd omdat appellant niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij niet redelijkerwijs over het onroerend goed kan beschikken.