ECLI:NL:CRVB:2011:BQ2274
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Geen recht op eenmalige tegemoetkoming pensioenverevening bij overschrijding inkomensgrens
Appellante heeft beroep ingesteld tegen het besluit van de Sociale verzekeringsbank (Svb) om haar geen eenmalige tegemoetkoming toe te kennen op grond van de Tijdelijke Regeling eenmalige tegemoetkoming pensioenverevening (TRP), omdat haar verzamelinkomen in 2005 hoger was dan € 12.822.
De Raad stelde vast dat hij bevoegd was het hoger beroep te behandelen vanwege de verwantschap van de TRP met sociale zekerheidswetten. De regeling is tot stand gekomen op uitdrukkelijke wens van de Tweede Kamer en is bewust grofmazig, met een inkomensgrens gebaseerd op het bruto-ouderdomspensioen uit 2005. De minister heeft erkend dat de regeling niet alle bijzondere situaties opvangt, maar een hardheidsclausule is bewust niet opgenomen om uitvoerbaarheid te waarborgen.
De Raad concludeerde dat de regeling geen ernstige gebreken vertoont en niet in strijd is met geschreven of ongeschreven recht, inclusief algemene beginselen van behoorlijk bestuur. In het concrete geval van appellante zijn geen bijzondere omstandigheden die een afwijking rechtvaardigen. Daarom wordt het bestreden besluit bevestigd en het beroep ongegrond verklaard.
Uitkomst: Het beroep van appellante wordt ongegrond verklaard en het bestreden besluit bevestigd.