ECLI:NL:CRVB:2011:BQ6322
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- R.H.M. Roelofs
- J.N.A. Bootsma
- W.F. Claessens
- Rechtspraak.nl
Onrechtmatige opschorting van bijstandsrecht wegens niet tijdig overleggen bewijsstuk
Appellante ontving bijstand op grond van de WWB. Het College van burgemeester en wethouders van Rotterdam verzocht haar om een beschikking voorlopige teruggaaf binnen een termijn, maar appellante leverde deze niet tijdig aan. Het College schortte daarop het recht op bijstand op met ingang van de dag na het verstrijken van de termijn. Appellante leverde het bewijsstuk alsnog binnen de hersteltermijn in en maakte pro forma bezwaar tegen het opschortingsbesluit.
Het College verklaarde het bezwaar niet-ontvankelijk en wees het verzoek om vergoeding van bezwaarkosten af. De rechtbank Rotterdam oordeelde dat het bezwaar niet ontvankelijk was omdat het pro forma bezwaar niet de gronden bevatte, en wees de bezwaarkostenvergoeding af.
De Centrale Raad van Beroep vernietigt deze uitspraak omdat de rechtbank een grond gebruikte die niet door het College was aangevoerd, in strijd met artikel 8:69 Awb Pro. De Raad stelt dat het belang bij beoordeling van het bezwaar niet vervalt door het herstel van het recht op bijstand en dat het College ten onrechte het bezwaar niet-ontvankelijk heeft verklaard.
De Raad oordeelt dat appellante niet kan worden verweten het gevraagde bewijsstuk niet tijdig te hebben overgelegd, omdat zij haar post via een bewindvoerder ontvangt en de brief van het College haar te laat bereikte. Het College was daarom niet bevoegd het recht op bijstand op te schorten. Het besluit van 15 april 2008 wordt herroepen en het College wordt veroordeeld tot vergoeding van de kosten van bezwaar en proceskosten van appellante.
Uitkomst: Het opschortingsbesluit van het recht op bijstand wordt herroepen en het College wordt veroordeeld tot vergoeding van kosten.