ECLI:NL:CRVB:2011:BQ7819

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
8 juni 2011
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
10-4833 WAZ
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 58 WAZArt. 2 WAZ
Verwijzingen
4 uitgaand · 1 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging van fiscale keuze bij beoordeling huurinkomsten als inkomen uit arbeid in WAZ-uitkering

Appellant ontving sinds 28 november 2002 een arbeidsongeschiktheidsuitkering op grond van de WAZ met een arbeidsongeschiktheidspercentage van 35 tot 45%. Het Uwv stelde de uitkering vanaf 2005 op nihil vanwege huurinkomsten die appellant ontving uit panden waarin zijn fysiotherapiepraktijk was gevestigd. Deze huurinkomsten werden door appellant fiscaal verantwoord als winst uit onderneming.

Appellant maakte bezwaar tegen het besluit van het Uwv, maar dit werd afgewezen. De rechtbank bevestigde dat de fiscale keuze van appellant om de huurinkomsten als inkomen uit arbeid te verantwoorden leidend is, tenzij bijzondere omstandigheden zich voordoen. De Raad overwoog dat er geen bijzondere omstandigheden waren die een uitzondering rechtvaardigen.

De Raad benadrukte dat de fiscale keuze die door de fiscus is gehonoreerd in beginsel doorslaggevend is bij de beoordeling van inkomsten uit arbeid in het kader van artikel 58 van Pro de WAZ. De gewijzigde situatie vanaf 2004, waarbij appellant met een nieuwe maatschap werkte en huur in rekening bracht, ondersteunt deze keuze. De aangevallen uitspraak van de rechtbank wordt daarom bevestigd.

Er is geen aanleiding om het Uwv te veroordelen in de proceskosten van appellant. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 8 juni 2011 door de Centrale Raad van Beroep.

Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat de fiscale keuze van appellant leidend is en wijst het beroep af.

Uitspraak

10/4833 WAZ
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[Appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),
tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Hertogenbosch van 20 juli 2010, 09/5948 (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellant
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).
Datum uitspraak: 8 juni 2011
I. PROCESVERLOOP
Namens appellant heeft drs. P.N.M. Goossens hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 27 april 2011. Namens appellant is drs. Goossens verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door
mr. R.E.J.P.M. Rutten.
II. OVERWEGINGEN
1.1. Appellant was sedert 28 november 2002 een uitkering toegekend op grond van de Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen (WAZ), gebaseerd op een mate van arbeidsongeschiktheid van 35 tot 45%.
1.2. In verband met het werken als zelfstandige en het daarmee verwerven van inkomsten door appellant heeft het Uwv de volgende besluiten genomen:
Bij besluit van 26 augustus 2009 (besluit I) heeft het Uwv de WAZ-uitkering over de periode van 1 januari 2006 tot en met 31 december 2006 onder toepassing van artikel 58 van Pro de WAZ op nihil gesteld.
Bij besluit van 3 september 2009 (besluit II) heeft het Uwv de WAZ-uitkering, onder toepassing van artikel 58 van Pro de WAZ, met ingang van 1 januari 2007 vastgesteld op € 0,00 per maand.
Bij besluit van 14 september 2009 (besluit III) heeft het Uwv de WAZ-uitkering, onder toepassing van artikel 58 van Pro de WAZ, over de periode van 1 januari 2005 tot 1 januari 2006 op nihil gesteld.
2. Appellant heeft bezwaar gemaakt tegen de besluiten I, II en III. Bij besluit van 16 november 2009 heeft het Uwv de eerder ingenomen standpunten gehandhaafd. Het Uwv heeft gesteld dat bij het beantwoorden van de vraag of inkomsten van een zelfstandige als inkomen uit arbeid moeten worden aangemerkt, in beginsel doorslaggevende betekenis toekomt aan de in het kader van de fiscale wetgeving door de verzekerde gemaakte -en door de fiscus gehonoreerde- keuze. Indien sprake is van bijzondere omstandigheden die een uitzondering op deze regel rechtvaardigen kan daarvan worden afgeweken. Vanaf 2004 is er sprake van een gewijzigde situatie; vanaf dat jaar is er volgens het Uwv derhalve een fiscale keuze gemaakt. Naar de mening van het Uwv zijn er geen bijzondere omstandigheden op grond waarvan voor de toepassing van artikel 58 van Pro de WAZ van die fiscale keuze zou moeten worden afgeweken. Het Uwv heeft voorts voorgerekend om welke reden er vanaf 1 januari 2005 geen sprake is van verlies aan verdiencapaciteit.
3. Appellant heeft beroep ingesteld tegen het besluit van 16 november 2009, welk beroep bij de aangevallen uitspraak ongegrond is verklaard. De rechtbank, evenals het Uwv uitgaande van de fiscale gehonoreerde keuze, heeft vastgesteld dat appellant over 2005, 2006 en 2007 bij de aangifte in het kader van de inkomstenbelasting een bedrag als inkomen uit arbeid heeft verantwoord met inbegrip van de door hem ontvangen huurpenningen. Die inkomsten dienen daarom in beginsel als inkomsten uit arbeid te worden beschouwd. De rechtbank was verder van oordeel dat er onvoldoende grond was om te spreken van bijzondere omstandigheden om van het uitgangspunt dat de fiscale keuze doorslaggevend is, af te wijken.
4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.
4.1. Ingevolge artikel 58, eerste lid, aanhef en onder a, van de WAZ wordt, indien de verzekerde die recht heeft op een arbeidsongeschiktheidsuitkering inkomsten uit arbeid geniet, zolang niet vaststaat of deze arbeid als arbeid, bedoeld in artikel 2, vierde lid, kan worden aangemerkt, de arbeidsongeschiktheidsuitkering niet ingetrokken of herzien, maar wordt de uitkering niet betaald indien de inkomsten zodanig zijn dat als die arbeid wel arbeid als bedoeld in artikel 2, vierde lid, zou zijn, niet langer sprake zou zijn van arbeidsongeschiktheid van ten minste 25%.
4.2. Zoals het Uwv en de rechtbank terecht hebben gesteld en geoordeeld komt volgens vaste rechtspraak van de Raad bij het beantwoorden van de vraag of inkomsten van een zelfstandige als inkomen uit arbeid in het kader van artikel 58 van Pro de WAZ moeten worden aangemerkt, in beginsel doorslaggevende betekenis toe aan de in het kader van de fiscale wetgeving door de verzekerde gemaakte - en door de fiscus gehonoreerde - keuze. Van die keuze kan slechts worden afgeweken indien sprake is van bijzondere omstandigheden die een uitzondering op deze regel rechtvaardigen (zie bijvoorbeeld
14 oktober 2008, LJN BF9017).
4.3. Appellant voerde tot 1 januari 2004 met zijn echtgenote in drie verschillende panden een fysiotherapiepraktijk. Van die panden behoorden er twee in eigendom toe aan appellant en zijn echtgenote. Nadat de echtgenote van appellant met ingang van 1 januari 2004 was teruggetreden uit de praktijk is appellant met twee voormalige medewerkers een nieuwe maatschap aangegaan. Aan die maatschap is, anders dan voorheen in de relatie met zijn echtgenote, huur in rekening gebracht, welke door appellant tegenover de fiscus als winst uit de onderneming is verantwoord. Gelet hierop heeft het Uwv die inkomsten terecht als inkomen uit arbeid aangemerkt. Dat appellant bij de fiscale verantwoording van de huurinkomsten in feite geen keuze had -wat daar verder van zij- ziet de Raad niet als een bijzondere omstandigheid om van die fiscale verantwoording af te wijken.
4.4. De aangevallen uitspraak komt derhalve voor bevestiging in aanmerking.
5. Er bestaat geen aanleiding voor een veroordeling van het Uwv in de proceskosten van appellant.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door H.G. Rottier als voorzitter en B.M. van Dun en J.J.T. van den Corput als leden, in tegenwoordigheid van M.A. van Amerongen als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 8 juni 2011.
(get.) H.G. Rottier
(get.) M.A. van Amerongen
EF