ECLI:NL:CRVB:2011:BQ9045
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Vaststelling wettelijke rente en proceskosten bij faillissements- en werkloosheidsuitkering
Appellant, voormalig directeur van een failliete werkgever, vorderde vergoeding van wettelijke rente en proceskosten wegens onjuiste en vertraagde uitbetaling van faillissements- en werkloosheidsuitkeringen. De rechtbank had het verzoek om schadevergoeding afgewezen wegens onvoldoende specificatie en bewijs, en de proceskosten deels niet toegewezen.
In hoger beroep oordeelt de Raad dat de rechtbank het verzoek om schadevergoeding als verzoek om wettelijke rente had moeten interpreteren en daarover een beslissing had moeten nemen. Het UWV wordt veroordeeld tot vergoeding van wettelijke rente over de faillissementsuitkering en de werkloosheidsuitkering, met ingang van 1 juni 2009. Tevens worden proceskosten voor reiskosten en griffierecht aan appellant toegekend.
Ten aanzien van het dagloon voor de werkloosheidsuitkering wordt het beroep ongegrond verklaard, omdat appellant onvoldoende heeft aangetoond dat overwerkvergoeding over de gehele referteperiode vorderbaar maar niet inbaar was. De Raad bevestigt dat het UWV terecht geen rekening hield met overwerkvergoeding over de periode vóór 25 oktober 2008.
De uitspraak bevestigt het belang van correcte vaststelling van uitkeringsbedragen en tijdige betaling, en benadrukt de noodzaak van een juiste beoordeling van verzoeken om schadevergoeding in bestuursrechtelijke procedures.
Uitkomst: Het UWV wordt veroordeeld tot vergoeding van wettelijke rente en proceskosten, het beroep tegen het dagloonbesluit wordt ongegrond verklaard.