ECLI:NL:CRVB:2011:BR1250
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Niet-ontvankelijkheid hoger beroep wegens ontbreken procesbelang bij arbeidsverplichtingen WWB
Appellant ontving tot juni 2006 bijstand met ontheffing van de verplichting om algemeen geaccepteerd werk te vinden, maar de overige arbeidsverplichtingen bleven van kracht. In december 2007 vroeg appellant opnieuw bijstand aan, waarbij alle arbeidsverplichtingen werden opgelegd. Hij maakte bezwaar en verzocht om volledige schrapping van deze verplichtingen.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond. Appellant ging in hoger beroep en stelde dat hij om diverse redenen ontheffing van alle arbeidsverplichtingen moest krijgen. De Raad stelde ambtshalve vast dat appellant onvoldoende procesbelang had, omdat hij met deze procedure niet kon bereiken dat hij voor de toekomst ontheffing zou krijgen. De eerdere ontheffing was immers tijdelijk en inmiddels verstreken.
De Raad oordeelde dat het dagelijks bestuur bevoegd is om over nieuwe ontheffingen te beslissen en dat het belang van appellant bij beoordeling van het oude besluit ontbreekt. Ook andere aangevoerde grieven en procedurele bezwaren gaven geen procesbelang. Daarom verklaarde de Raad het hoger beroep niet-ontvankelijk en wees een veroordeling in proceskosten af.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens het ontbreken van voldoende procesbelang.