ECLI:NL:CRVB:2011:BR4685
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Centrale Raad van Beroep oordeelt over ondergeschiktheid directeur-grootaandeelhouder voor WW-uitkering
Appellant was algemeen directeur en meerderheidsaandeelhouder van een vennootschap en werd geschorst door de raad van commissarissen. Na ontslag vroeg hij een WW-uitkering aan, die door het UWV werd toegekend voor slechts drie maanden omdat appellant volgens het UWV niet ondergeschikt was aan de algemene vergadering vóór zijn schorsing.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond, stellende dat appellant formeel zijn meerderheidspositie kon gebruiken en dat de schorsing niet op werkgeversgezag was gebaseerd. In hoger beroep stelde appellant dat hij feitelijk ondergeschikt was aan de algemene vergadering.
De Raad oordeelde dat ondanks het meerderheidsbelang appellant feitelijk ondergeschikt was, omdat de overige aandeelhouders via een lening en hun rol als commissarissen de feitelijke zeggenschap hadden over commerciële, personele en financiële zaken. Dit leidde tot een verlenging van de WW-uitkeringsduur tot 20 maanden.
Daarnaast werd het UWV veroordeeld tot betaling van wettelijke rente wegens vertraging en tot vergoeding van de proceskosten van appellant. De aangevallen uitspraak werd vernietigd en het beroep gegrond verklaard.
Uitkomst: Appellant wordt als werknemer aangemerkt en krijgt een verlengde WW-uitkeringsduur van 20 maanden toegekend.