ECLI:NL:CRVB:2020:2589
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging afwijzing verlengde WW-uitkering wegens ontbreken dienstbetrekking directeur-grootaandeelhouder
Appellant, directeur-grootaandeelhouder van een besloten vennootschap, verzocht om verlenging van zijn WW-uitkering. Het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) wees dit af omdat appellant niet voldeed aan de vier-uit-vijf-eis en geen loon ontving als werknemer in de zin van artikel 3 van Pro de WW.
De rechtbank Rotterdam verklaarde het beroep van appellant ongegrond, stellende dat alleen loon uit een dienstbetrekking als werknemer meetelt voor de uitkeringsduur. Appellant voerde in hoger beroep aan dat hij als bestuurder wel onder de WW viel en dat zijn arbeidsverhouding met de vennootschap als dienstbetrekking moest worden beschouwd.
De Centrale Raad van Beroep oordeelde dat het loon van appellant als directeur-grootaandeelhouder niet als loon uit dienstbetrekking telt en dat de wetgeving en jurisprudentie dit bevestigen. De Raad vond geen aanwijzingen dat er sprake was van een dienstbetrekking tussen appellant en zijn vennootschap die recht zou geven op een WW-uitkering.
Daarmee werd het hoger beroep afgewezen en de eerdere uitspraak bevestigd. Er werd geen proceskostenveroordeling uitgesproken.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt afgewezen en de afwijzing van de verlengde WW-uitkering bevestigd.