ECLI:NL:CRVB:2011:BR5894
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging intrekking WAO-uitkering na zorgvuldige medische beoordeling
Appellant maakte bezwaar tegen het besluit van het UWV om zijn WAO-uitkering met ingang van 27 januari 2009 in te trekken. Het UWV baseerde dit besluit op een verzekeringsgeneeskundig en arbeidskundig onderzoek, waarvan de rapportages en de Functionele Mogelijkheden Lijst (FML) als uitgangspunt dienden.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond en oordeelde dat het UWV het besluit op deugdelijke wijze had genomen. Appellant stelde in hoger beroep dat het onderzoek onvolledig en onjuist was, onder meer omdat niet alle relevante medische informatie was betrokken en hij meer beperkingen ervoer dan vastgesteld.
De Centrale Raad van Beroep overwoog dat de rapportages een bijzondere waarde hebben indien zij zorgvuldig tot stand zijn gekomen, consistent en concludent zijn. Appellant slaagde er niet in aannemelijk te maken dat het onderzoek niet zorgvuldig was of dat relevante informatie was achtergehouden. Ook het beroep op informatie van een behandelaar die geen medicus is, leverde geen twijfel aan de medische beoordeling op.
Het standpunt van appellant dat hij niet in staat is de voorgestelde functies te vervullen, berustte op zijn eigen opvatting over zijn beperkingen, die niet werd ondersteund door medische rapportages. De Raad bevestigde daarom het besluit van het UWV en de uitspraak van de rechtbank en wees een proceskostenveroordeling af.
Uitkomst: De intrekking van de WAO-uitkering wordt bevestigd omdat het onderzoek zorgvuldig is uitgevoerd en appellant onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat hij meer beperkingen heeft.