ECLI:NL:CRVB:2011:BT2081
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- J.G. Treffers
- M.C. Bruning
- B.J. van de Griend
- Rechtspraak.nl
Hoogte ontslagvergoeding en immateriële schadevergoeding bij overschrijding redelijke termijn
Appellante was sinds 1996 in dienst als penitentiair inrichtingswerker en werd uiteindelijk in 2004 eervol ontslagen wegens onbekwaamheid. Na eerdere procedures vernietigde de rechtbank het ontslagbesluit wegens onvoldoende feitelijke grondslag. De minister handhaafde het ontslag later op andere gronden met toekenning van een minimale ontslagvergoeding.
Appellante vorderde een hogere ontslagvergoeding en schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn. De Raad oordeelt dat de minister geen overwegend aandeel heeft gehad in het ontstaan van de situatie die tot ontslag leidde, en dat de toegekende vergoeding redelijk is. Het ontvangen bedrag aan verbeurde dwangsommen staat los van de immateriële schadevergoeding wegens de overschrijding van de redelijke termijn.
De Raad stelt vast dat de procedure meer dan drie jaar langer duurde dan redelijk was en dat deze overschrijding volledig aan de minister kan worden toegerekend. Daarom wordt een immateriële schadevergoeding van € 3.500 toegekend. Tevens wordt de minister veroordeeld tot vergoeding van proceskosten en griffierecht.
Uitkomst: De minister wordt veroordeeld tot een immateriële schadevergoeding van € 3.500 wegens overschrijding van de redelijke termijn en tot vergoeding van proceskosten en griffierecht.