ECLI:NL:CRVB:2011:BU6192
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- T. Hoogenboom
- C.P.M. van de Kerkhof
- J. Brand
- Rechtspraak.nl
Bevestiging vaststelling maatmaninkomen Wajong ondanks inkomsten appellant
Appellant, een jonggehandicapte met een Wajong-uitkering, betwistte de vaststelling van zijn maatmaninkomen door het UWV. Het UWV had het maatmaninkomen gebaseerd op het in 1988 vastgestelde wettelijk minimumloon, geïndexeerd naar latere jaren, ondanks dat appellant sinds 1995 inkomsten uit arbeid had als beeldend kunstenaar.
Appellant voerde aan dat het UWV ten onrechte het maatmaninkomen niet had aangepast aan zijn feitelijke inkomsten en dat zijn gevolgde opleidingen en toegenomen bekendheid als kunstenaar aanleiding gaven tot een hogere vaststelling. De Raad oordeelde dat het maatmaninkomen bij de eerste beoordeling wordt vastgesteld en daarna alleen wordt geïndexeerd, tenzij sprake is van nieuwe bekwaamheden verworven via een succesvolle opleiding van enige duur en zwaarte.
Omdat appellant zijn opleidingen voortijdig had afgebroken en geen nieuwe bekwaamheden had verworven, en het feit dat hij inkomsten uit arbeid had niet relevant was voor de hernieuwde vaststelling, werd het beroep van appellant verworpen. De aangevallen uitspraak van de rechtbank Amsterdam werd bevestigd.
De Raad zag geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling en deed de uitspraak in het openbaar op 25 november 2011.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de vaststelling van het maatmaninkomen op basis van het geïndexeerde wettelijk minimumloon wordt bevestigd.