ECLI:NL:CRVB:2011:BU6592
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beoordeling arbeidsurenverlies en WW-uitkering bij beëindiging dienstverband na ziekte
Appellant was sinds 1999 in dienst bij een werkgever en viel in april 2008 wegens ziekte uit. Na ziekte werkte hij vanaf augustus 2009 bij twee andere werkgevers voor in totaal 32 uur per week. Het dienstverband bij de oorspronkelijke werkgever eindigde op 7 april 2010.
Appellant vroeg een WW-uitkering aan, maar het UWV wees deze af omdat het arbeidsurenverlies niet minimaal vijf uur per week bedroeg. Het UWV stelde het arbeidsurenverlies vast op 4,92 uur per week, gebaseerd op een gemiddelde van 36,92 uren bij de oorspronkelijke werkgever minus 32 uren bij de nieuwe werkgevers. De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond.
Appellant voerde aan dat het arbeidsurenverlies al in april 2008 was ingetreden en dat de berekening onjuist was, onder meer vanwege het meenemen van reisuren. De Raad oordeelde dat het arbeidsurenverlies pas kon intreden na het einde van de wachttijd van de Wet WIA en dat de UWV de Beleidsregels correct had toegepast. De Raad bevestigde dat appellant niet voldeed aan het minimum van vijf uur arbeidsurenverlies en wees het hoger beroep af.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat appellant geen WW-uitkering toekomt wegens onvoldoende arbeidsurenverlies.