ECLI:NL:CRVB:2011:BU7133
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging inhouding zorgverzekeringsbijdrage op AOW-pensioen van niet-ingezeten verdragsgerechtigde
Appellant, wonende in Frankrijk en ontvanger van een AOW-pensioen, betwistte de inhouding van een zorgverzekeringsbijdrage door het College voor zorgverzekeringen (Cvz) op grond van de Zorgverzekeringswet (Zvw). Hij stelde dat hij niet onder de werkingssfeer van de relevante Europese verordeningen viel en dat de inhouding in strijd was met het vrije verkeer van EU-burgers en zijn verworven rechten.
De Centrale Raad van Beroep overwoog dat de AOW als wettelijk pensioen kwalificeert onder de Europese verordeningen en dat de inhouding van de bijdrage gerechtvaardigd is, ook als appellant zich niet heeft ingeschreven bij het bevoegde orgaan van zijn woonland. Het Hof van Justitie van de Europese Unie bevestigde dat de verordeningen dwingend zijn en dat er geen keuzerecht bestaat om zich aan de regeling te onttrekken.
Verder oordeelde de Raad dat er geen ongerechtvaardigd verschil in behandeling bestaat tussen ingezetenen en niet-ingezetenen wat betreft het behoud van de globale dekking tegen ziektekosten, ook niet door handelen van de Nederlandse regering of verzekeraars. De overgangsregeling en de inspanningen van de Minister van VWS waren erop gericht een vergelijkbare dekking te waarborgen. Het beroep op het EVRM en het rechtszekerheidsbeginsel werd verworpen.
De Raad bevestigde daarmee de eerdere uitspraak van de rechtbank Amsterdam en wees het beroep van appellant af.
Uitkomst: Bevestiging dat de inhouding van de zorgverzekeringsbijdrage op het AOW-pensioen van appellant rechtmatig is.