ECLI:NL:CRVB:2012:BV0987
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Afwijzing aanvraag bijstand wegens ontbreken geldige verblijfstitel
Appellant, geboren in 1970 in Iran, diende op 21 april 2010 een aanvraag om bijstand in op grond van de Wet werk en bijstand (WWB). Het College van burgemeester en wethouders van Amsterdam wees deze aanvraag op 17 mei 2010 af omdat appellant geen geldige verblijfstitel heeft. Het bezwaar tegen deze afwijzing werd eveneens ongegrond verklaard. De rechtbank Amsterdam bevestigde deze beslissing in januari 2011.
Appellant ging in hoger beroep bij de Centrale Raad van Beroep. De Raad stelde vast dat appellant tijdens de relevante periode geen vreemdeling was in de zin van artikel 11 van Pro de WWB, waardoor artikel 16, tweede lid, van de WWB van toepassing is. Dit artikel sluit uit dat aan appellant een uitkering wordt toegekend, zelfs niet op grond van zeer dringende redenen.
De Raad overwoog verder dat hoewel artikel 8 EVRM Pro het recht op respect voor het privéleven beschermt en positieve verplichtingen kan inhouden, deze niet via de WWB kunnen worden gerealiseerd voor vreemdelingen zonder geldige verblijfstitel. De uitvoering van eventuele positieve verplichtingen ligt bij andere bestuursorganen, zoals het COA. De Raad bevestigde daarom de afwijzing van de bijstandsaanvraag en wees het verzoek om schadevergoeding af.
Uitkomst: De aanvraag om bijstand wordt afgewezen omdat appellant geen geldige verblijfstitel bezit en niet tot de kring der gerechtigden op grond van de WWB behoort.