ECLI:NL:CRVB:2012:BV1264
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Vernietiging besluit en matiging boete wegens onjuiste WW-uitkering door niet-melding prepensioen
Appellante ontving vanaf 1 maart 2005 een WW-uitkering en vanaf 1 december 2006 tevens een prepensioen. Zij meldde dit prepensioen pas in februari 2009 aan het UWV. Het UWV had het prepensioen vanaf december 2006 geheel in mindering moeten brengen op de WW-uitkering, maar herzag in plaats daarvan de WW-uitkering.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellante ongegrond, maar de Centrale Raad van Beroep oordeelt dat het besluit van het UWV berust op een onjuiste wettelijke grondslag en vernietigt dit. De Raad stelt zelf de juiste verlaging van de WW-uitkering vast en bevestigt de terugvordering van teveel betaalde uitkering.
Verder legt de Raad een boete op wegens schending van de inlichtingenplicht, maar matigt deze aanzienlijk vanwege de summiere informatievoorziening door het UWV en het feit dat appellante direct na ontvangst van een duidelijk wijzigingsformulier haar prepensioen meldde. De Raad veroordeelt het UWV in de proceskosten en bepaalt dat het griffierecht wordt vergoed.
Uitkomst: Het besluit van het UWV wordt vernietigd, de WW-uitkering wordt verlaagd, de terugvordering bevestigd en de boete gematigd tot €150,-.