ECLI:NL:CRVB:2012:BV6582
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging terugvordering ouderdomspensioen wegens gezamenlijke huishouding
Appellante ontving sinds 2000 een AOW-pensioen voor een ongehuwde, maar de Sociale Verzekeringsbank (Svb) herzag dit in 2008 naar een gehuwde pensioenuitkering vanwege een gezamenlijke huishouding met haar partner. Na onderzoek door sociaal-rechercheurs werd vastgesteld dat appellante en haar partner vanaf 2000 samenwoonden, waarna de Svb het te veel betaalde pensioen over de periode 2000-2008 terugvorderde.
Appellante voerde in hoger beroep aan dat haar verklaring onrechtmatig was verkregen omdat zij niet was gewezen op het recht op juridische bijstand tijdens het verhoor, en dat haar psychische toestand en leeftijd haar verklaring onbetrouwbaar maakten. De Raad oordeelde dat de beschermingen uit het EVRM artikel 6 lid 3 niet Pro van toepassing zijn in bestuursrechtelijke terugvorderingszaken en dat de verklaring niet onrechtmatig was verkregen.
De Raad achtte de verklaring van appellante en het testament waarin haar partner als samenwonend werd genoemd voldoende bewijs voor de gezamenlijke huishouding. Er waren geen dringende redenen om van terugvordering af te zien. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de eerdere uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de terugvordering van het te veel betaalde ouderdomspensioen bevestigd.